Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
10-6951 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verzoek van appellante om immateriële schadevergoeding is door de rechtbank terecht afgewezen. Aansluiting zoeken bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor de door appellante bepleite analoge toepassing van de - lichtere - criteria die gelden met betrekking tot vergoeding van immateriële schade in gevallen van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, kan in wetgeving noch rechtspraak steun worden gevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6951 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 november 2010, 08/5888 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. Van den Heuvel. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming in de onderhavige zaak gaat de Raad, voor zover van belang, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Nadat de eerder aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), per 18 april 2006 was ingetrokken, heeft het Uwv in het kader van een herbeoordeling geweigerd aan appellante met ingang 22 februari 2007 opnieuw een WAO-uitkering toe te kennen. Het tegen het betreffende besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 29 oktober 2008. Nadat appellante beroep had ingesteld tegen laatstgenoemd besluit, heeft het Uwv bij besluit van 3 maart 2009 appellante alsnog met ingang van 22 februari 2007 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Appellante heeft hierop het beroep ingetrokken, onder gelijktijdig verzoek het Uwv - onder meer - te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het onrechtmatige besluit van

29 oktober 2008. Appellante heeft hierbij naar voren gebracht dat zij, doordat haar uitkering van de ene op de andere maand met € 200,- netto werd verlaagd, niet meer in staat was haar toch al beperkte sociale leven in stand te houden. De spaarzame contacten die zij zich kon veroorloven waren voor haar van wezenlijk belang. Die contacten, zoals schouwburgbezoek, bijeenkomsten voor alleenstaanden en soortgelijke sociale activiteiten, heeft zij moeten opgeven. Voorts kon zij niet meer aan haar herstel werken, wat zij deed door middel van onder meer fitnesstraining en kon zij ook direct noodzakelijke ziektekosten als niet-verzekerde tandartshulp, niet langer betalen.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, onder meer het verzoek tot vergoeding van immateriële schade afgewezen.

2.2. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat met de erkenning van de onrechtmatigheid door het Uwv van het besluit van 29 oktober 2008, op het Uwv in beginsel de verplichting rust om de schade te vergoeden die het gevolg is van dat onrechtmatige besluit.

2.3. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, ingevolge vaste rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene.

2.4. De rechtbank heeft het aannemelijk geacht dat appellante, door de ten onrechte gehandhaafde weigering van WAO-uitkering per 22 februari 2007 van ongeveer € 200,- netto per maand, keuzes heeft moeten maken die mede hebben kunnen leiden tot een vermindering van haar sociale leven, omdat zij niet in staat was tot activiteiten als hiervoor genoemd onder 1.3. Voorts heeft de rechtbank het aannemelijk geacht dat bij haar als gevolg hiervan psychisch onbehagen is ontstaan. Evenwel heeft appellante naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij hierdoor zodanig heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer dan wel op andere persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW.

3. In hoger beroep, dat uitsluitend is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtbank het verzoek van appellante om immateriële schadevergoeding heeft afgewezen, heeft appellante herhaald wat zij in eerdere stadia van de procedure naar voren heeft gebracht. Appellante is de mening toegedaan dat de rechtbank de door haar aangevoerde feiten en omstandigheden te licht heeft gewogen.

4.1. De Raad volgt appellante niet in die mening. De Raad kan zich volledig verenigen met de overwegingen en daarop gegronde oordeel van de rechtbank. Naar aanleiding van hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd, voegt de Raad daaraan, onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, nog het volgende toe.

4.2. Voor zover appellante haar stelling dat zij als gevolg van het besluit van 29 oktober 2008 geestelijk letsel heeft opgelopen, doet steunen op de opvatting dat zij in - financiële en daardoor ook in psychische - problemen is geraakt door de plotselinge verlaging van haar WAO-uitkering met een bedrag van € 200,- netto per maand, overweegt de Raad dat die stelling reeds geen doel treft nu deze feitelijke grondslag mist: het hier aan de orde zijnde onrechtmatige besluit van

29 oktober 2008 behelst uitsluitend een weigering om appellante per 22 februari 2007 - opnieuw - in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. De daaraan voorafgaande intrekking van de haar eerder toegekende WAO- uitkering per 18 april 2006 maakt geen deel uit van het onrechtmatige besluit van 29 oktober 2008. Psychische gevolgen die appellante stelt te hebben ondervonden van de intrekking van haar WAO-uitkering met ingang van 18 april 2006, dienen mitsdien in het kader van de onderhavige procedure buiten beschouwing te blijven.

4.3. Evenmin kan appellante voorts worden gevolgd in haar in hoger beroep staande gehouden opvatting dat zij als gevolg van de onrechtmatige weigering van uitkering spanning en frustratie heeft opgelopen welke met analoge toepassing van de rechtspraak inzake vergoeding van immateriële schade in gevallen van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), een toereikende grondslag vormt voor toewijzing van haar verzoek om schadevergoeding.

4.4. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met juistheid, onder verwijzing naar vaste rechtspraak ingevolge welke in gevallen als het onderhavige zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht (zie de uitspraak van 21 maart 2008, LJN BC9247), uiteengezet welke toetsingsmaatstaf moet worden aangelegd bij de beoordeling of in een voorkomend geval dient te worden overgegaan tot vergoeding van immateriële schade. Voor de door appellante bepleite analoge toepassing van de - lichtere - criteria die gelden met betrekking tot vergoeding van immateriële schade in gevallen van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, kan in wetgeving noch rechtspraak steun worden gevonden.

4.5. Ten slotte overweegt de Raad dat appellante ook in hoger beroep niet erin geslaagd is om aan de hand van medische gegevens aannemelijk te maken dat zij als gevolg van de weigering haar per 22 februari 2007 een WAO-uitkering op basis van de klasse 15 tot 25% toe te kennen, zodanig geestelijk letsel heeft opgelopen dat dit recht geeft op de door haar verzochte schadevergoeding. Hetgeen appellante in dit verband heeft gesteld inzake keuzes die zij op financiële gronden heeft moeten maken bij door haar te ondernemen sociale en overige activiteiten en inzake niet-verzekerde medische kosten, vormt daartoe een ontoereikende basis.

4.6. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) H.L. Schoor.

EK