Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
09-4309 + 11-2195 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na de tussenuitspraak heeft het Uwv een nieuw besluit genomen en heeft appellant het beroep ingetrokken. Vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Uitgangspunt is dat de wettelijke rente gaat lopen op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand (of het andere tijdvak) waarop de periodieke betaling betrekking heeft. Proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4309 + 11/2195 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikelen 8: 73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 juni 2009, 08/951 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 16 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.H.J. Krijnen.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

De Raad heeft bij tussenuitspraak 9 februari 2011 het Uwv opgedragen het gebrek in het besluit van 21 oktober 2008 te herstellen.

Het Uwv heeft op 11 april 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen Deze zaak is geregistreerd onder nummer 11/2195 WAJONG.

Bij brief van 9 mei 2011 heeft appellant op de stukken van 11 april 2011 gereageerd.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Namens appellant zijn aanvullende gronden ingediend.

Het Uwv heeft op 5 oktober 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 13 oktober 2011 heeft mr. Bovenkamp namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de kosten van het bezwaar, de proceskosten en tot vergoeding van de wettelijke rente.

Het Uwv heeft bij brief van 25 oktober 2011 de Raad bericht dat het zich niet verzet tegen een veroordeling in de proceskosten.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De Raad stelt vast dat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 5 oktober 2011 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen.

De Raad wijst het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente in geval van periodiek te betalen uitkeringen of salaris heeft de Raad zich, mede naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Vierde Tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nader op zijn jurisprudentie beraden. Voor zover geen sprake is van specifieke algemeen verbindende voorschriften - anders dan de algemene bepalingen van Titel 4.4 van de Awb - met betrekking tot het tijdstip waarop deze periodieke betalingen moeten worden verricht, neemt de Raad voortaan, omwille van een praktische en eenvoudige rechtstoepassing, mede gezien het forfaitaire karakter van wettelijke rente, tot uitgangspunt dat de wettelijke rente gaat lopen op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand (of het andere tijdvak) waarop de periodieke betaling betrekking heeft. Indien het niet gaat om reeds lopende periodieke betalingen, maar om een eerste toekenning of om een wijziging van een element van de periodieke betaling, geldt bovendien dat de wettelijke rente niet eerder gaat lopen dan vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de beslistermijn voor de toekenning of wijziging is verstreken.

Aangezien het Uwv reeds heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, staan de Raad nog ter beoordeling de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op

€ 805,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, een ½ punt voor een schriftelijke reactie) voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 2x een ½ punt voor een schriftelijke reactie) voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Nu in beroep en in hoger beroep een bewijs van toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is afgegeven, dient het bedrag van € 1.449,-- te worden betaald aan de griffier van de Raad.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente als hiervoor is vermeld;

Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.449,--, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.

KR