Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
10-5322 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het ambt. Vernietiging aangevallen uitspraak. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld heeft de korpsbeheerder voldoende concrete, in de gedingstukken te onderkennen, gedragingen van betrokkene aangewezen, met inachtneming waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat betrokkene anders dan wegens ziekte of gebreken ongeschikt is voor zijn ambt. De korpsbeheerder heeft betrokkene naar behoren op zijn functioneren en gedrag aangesproken en hem ook, zij het tevergeefs, in de gelegenheid gesteld dit te verbeteren. Geen grond voor het oordeel dat de korpsbeheerder van de bevoegdheid betrokkene op de in aanmerking genomen grond ontslag te verlenen, niet in redelijkheid gebruik kon maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5322 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2010, 09/796 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 15 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Kuijt, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J. van Overdam, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene werd met ingang van 1 oktober 1992 aangenomen als vrijwilliger in de rang van aspirant bij de reserve-regiopolitie Amsterdam-Amstelland.

1.2. In mei 2000 werd de plaatsing van betrokkene, die toen de rang had van agent bij de vrijwillige politie van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: politieregio), bij het wijkteam Diemen beëindigd en werd hij overgedragen aan de Dienst Executieve Ondersteuning (hierna: DEO). Aan deze overdracht lag een gevoel van onvrede over het functioneren van betrokkene ten grondslag.

1.3. Sinds 2003 is betrokkene in dienst van het ministerie van Defensie als humanistisch raadsman in de rang van majoor.

1.4. In maart 2004 is betrokkene er onder meer op gewezen dat hij per jaar 100 uur dienst moet doen en voor aangewezen toetsen moet slagen. Later in 2004 is betrokkene buiten de DEO geplaatst en uitsluitend belast met het deelnemen aan detachementen en evenementen.

1.5. Betrokkene is in 2005 voor zes maanden uitgezonden naar Bosnië. In dat jaar heeft hij bij de politieregio 44 uur dienst gedaan.

1.6. In januari 2006 moest betrokkene zijn dienstwapen inleveren, omdat hij niet voor de toets was geslaagd. Toen is met hem de afspraak gemaakt die toets zo spoedig mogelijk te halen. In dat jaar heeft betrokkene om persoonlijke en aanvaarde redenen bij de politieregio geen dienst gedaan.

1.7. In november 2006 werd betrokkene in een gesprek voorgesteld als vrijwilliger te stoppen. Hij zegde toe zo spoedig mogelijk zijn keuze mee te delen. Dit heeft betrokkene niet gedaan, ondanks verschillende pogingen van de politieregio om hem zover te krijgen. Het laatste contact in dit kader was op 14 november 2007, waarbij betrokkene te kennen gaf niet met ontslag te gaan. In 2007 heeft betrokkene als vrijwilliger geen dienst gedaan.

1.8. Na het voornemen daartoe in maart 2008, waarop betrokkene heeft gereageerd, heeft de korpsbeheerder bij besluit van 11 augustus 2008 aan betrokkene met ingang van 1 oktober 2008 op grond van artikel 40, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie (Brvp) eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn ambt, anders dan op grond van ziekten of gebreken.

1.9. De korpsbeheerder heeft na bezwaar bij besluit van 15 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) het ontslagbesluit gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van 11 augustus 2008 herroepen, met bepaling dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft - kort samengevat - geoordeeld dat zij niet kan vaststellen dat betrokkene op duidelijke en niet mis te verstane wijze met zijn tekortkomingen is geconfronteerd en ook niet dat hem de kans is geboden zijn functioneren bij te stellen, welke kans vervolgens niet is gegrepen. Appellant was dus niet bevoegd om betrokkene op de in aanmerking genomen ontslaggrond te ontslaan, aldus de rechtbank.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Betrokkene heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Eerst dient de vraag te worden beantwoord of bij betrokkene sprake is van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie van vrijwillig politieambtenaar, anders dan op grond van ziekten of gebreken.

4.2. De Raad stelt voorop dat bij de beantwoording van deze vraag acht geslagen moet worden op de bijzondere positie van een vrijwillig politieambtenaar wat betreft de aard en de omvang van de hem opgelegde werkzaamheden, te bezien tegen de achtergrond van het Brvp.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

4.4. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de korpsbeheerder voldoende concrete, in de gedingstukken te onderkennen, gedragingen van betrokkene heeft aangewezen, met inachtneming waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat betrokkene anders dan wegens ziekte of gebreken ongeschikt is voor zijn ambt. De Raad stelt eerst vast dat betrokkene sinds januari 2006 niet meer mocht beschikken over een dienstwapen. Verder neemt de Raad in ogenschouw dat betrokkene de korpsbeheerder in de periode van november 2006 tot november 2007, niettegenstaande pogingen van de korpsbeheerder om met hem in contact te komen, in het ongewisse heeft gelaten over hetgeen in het gesprek in november 2006 met hem was afgesproken. Voor dit stilzwijgen heeft betrokkene geen duidelijke en deugdelijke redenen gegeven. Deze twee omstandigheden aan de kant van betrokkene laten naar het oordeel van de Raad afdoende zien dat het betrokkene ontbrak aan de vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling, die voor het op goede wijze vervullen van zijn functie vereist zijn.

4.5. Eveneens anders dan de rechtbank is de Raad in het licht van zijn vaste rechtspraak hierover (CRvB 6 januari 2005, LJN AS2575) van oordeel dat de korpsbeheerde betrokkene naar behoren op zijn functioneren en gedrag heeft aangesproken en hem ook, zij het tevergeefs, in de gelegenheid heeft gesteld dit te verbeteren.

4.6. Al in januari 2006 is betrokkene erop gewezen dat hij om zijn dienstwapen terug te krijgen zo spoedig mogelijk een bepaalde toets moest halen. Hieraan heeft betrokkene geen gehoor gegeven. Verder heeft betrokkene de korpsbeheerder een jaar lang, van november 2006 tot november 2007, ondanks de afspraak in het ongewisse gelaten, of en zo ja op welke wijze hij als vrijwilliger bij de politieregio verder wilde gaan. Dit maakte het voor de korpsbeheerder onmogelijk verdere verbeterstappen in ogenschouw te nemen.

4.7. De korpsbeheerder was dan ook bevoegd betrokkene op de in aanmerking genomen grond ontslag te verlenen. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat van deze bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik kon worden gemaakt.

5. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat bij de aangevallen uitspraak ten onrechte het beroep van betrokkene gegrond is verklaard. Die uitspraak moet dus worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en B.J. van de Griend en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is in het openbaar uitsproken op 15 december 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B. Bekkers.

HD