Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
11-3399 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek van appellant aanmerken als verzoek om terug te komen van intrekking toeslag. Toetsingsnorm. Geen sprake van nieuw gebleken of veranderde omstandigheden op grond waarvan de Svb niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van de oorspronkelijke afwijzing terug te komen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3399 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Dominicaanse Republiek (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2011, 10/5924 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 16 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.E. Koopmans, advocaat te Oud-Beijerland, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is bij brief van 23 augustus 2011 verzocht om versnelde behandeling van het beroep, als bedoeld in artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In antwoord hierop heeft de Raad, bij brief van 29 augustus 2011, de gemachtigde van appellant bericht voornemens te zijn de zaak ter zitting van 18 november 2011 te behandelen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2011. Namens appellant is verschenen mr. Koopmans, en appellants broer [naam broer]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is [in] 1938 geboren in Nederland. Tot 1 januari 1983 heeft appellant, afgezien van een kleine onderbreking in de periode van 22 juli 1958 tot 12 maart 1960, in Nederland gewoond. Op 1 januari 1983 is appellant verhuisd naar Sint Maarten, Nederlandse Antillen, waar hij tot 1 september 1991 heeft gewoond. Op 1 september 1991 is appellant vervolgens verhuisd naar de Dominicaanse Republiek, alwaar hij sindsdien woont. Op 14 november 1995 is appellant gehuwd met M.R. [P.], geboren [in] 1960.

1.3. Bij besluit van 11 april 2003 heeft de Svb aan appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Daarbij is aangegeven dat appellant geen recht heeft op een toeslag krachtens de AOW, omdat hij woont in een land waarvoor de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) gevolgen heeft.

1.4. De Svb heeft appellant bij besluit van 2 februari 2004 medegedeeld dat hij alsnog recht heeft op een toeslag krachtens de AOW, omdat de Nederlandse regering heeft besloten tot een tijdelijke opschorting van de Wet BEU. Daarbij is aangegeven dat de gevolgen van de Wet BEU na 1 mei 2005 alsnog van toepassing kunnen worden, waardoor het recht op de toeslag mogelijk moet worden ingetrokken.

1.5. Bij besluit van 26 april 2005 is de Svb vervolgens overgegaan tot intrekking van de toeslag met ingang van 1 januari 2006, omdat de Wet BEU wederom gevolgen heeft voor appellant. Appellant heeft tegen het besluit van 26 april 2005 geen rechtsmiddel aangewend.

1.6. In reactie op de brief van appellant van 20 februari 2006 heeft de Svb appellant bij brief van 13 maart 2006 (wederom) bericht dat hij geen recht heeft op een toeslag krachtens de AOW, omdat appellant in een land woont waarvoor de Wet-BEU geldt en hij niet voldoet aan alle voorwaarden van de zogenaamde pardonregeling. Appellant heeft de Svb vervolgens bij brief van 12 april 2006 gevraagd om informatie over een mogelijk recht op een bijstandsuitkering.

1.7. Appellant heeft nadien regelmatig contact gezocht met de Svb ten aanzien van de beëindiging van het recht op een toeslag krachtens de AOW. Steeds heeft de Svb appellant per e-mail dan wel per brief meegedeeld dat hij hier geen recht op heeft.

1.8. Per e-mail van 9 oktober 2010 is namens appellant (wederom) verzocht om te bezien of zijn situatie aanleiding geeft om in aanmerking te komen voor een toeslag. De Svb heeft hierop bij e-mail van 22 oktober 2010 geantwoord, dat appellant daarop recht heeft, omdat hij onder de pardonregeling valt. Per e-mail van 2 november 2011 heeft de Svb echter laten weten dat de e-mail van 22 oktober 2010 onjuist is, en is uitgelegd dat appellant niet onder de pardonregeling valt. Appellant heeft tegen de e-mail van 2 november 2011 bezwaar gemaakt.

1.9. Bij besluit van 29 november 2010 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep – kort samengevat – aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met het niet toekennen van een toeslag krachtens de AOW.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Evenals de rechtbank, en op grond van dezelfde overwegingen, laat de Raad in het midden of de in 1.8 vermelde e-mail van 2 november 2010 als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. De Raad ziet in het onderhavige geval aanleiding over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

4.2. De Raad stelt vast dat appellant niet betwist dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het in 1.5 vermelde besluit van 26 april 2005. Dit betekent dat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. De stelling van appellant dat de Svb het in

1.6 vermelde schrijven van 12 april 2006 als bezwaar tegen de brief van 13 maart 2006 had moeten aanmerken leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De brief van de Svb van 13 maart 2006 betreft een herhaling van het besluit van 26 april 2005, en volgens vaste rechtspraak is een tweede gelijkluidend besluit niet gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg, en kan dit dus niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4.3.1. De Raad onderschrijft voorts het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel dat het verzoek van 9 oktober 2010 dient te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 26 april 2005.

4.3.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de volgende toetsingsnorm dient te worden gehanteerd. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook de oorspronkelijke afwijzing tot uitgangspunt te nemen. In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het voorts aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 1 februari 2001, LJN AB0250. Wat betreft de periode voorafgaande aan de nieuwe aanvraag, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is immers voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

4.3.3. Met betrekking tot de periode voorafgaande aan het verzoek van 9 oktober 2010 is de Raad van oordeel dat niet valt in te zien dat sprake is van nieuw gebleken of veranderde omstandigheden op grond waarvan de Svb niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van de oorspronkelijke afwijzing terug te komen. Het argument van appellant dat hij niet kan terugkeren naar Nederland omdat zijn echtgenote geen verblijfsvergunning zal worden verleend, kan niet als nieuw feit worden aangemerkt, omdat hij dit reeds had kunnen aanvoeren in een procedure tegen het besluit van 26 april 2005. Om deze reden kunnen de overige door appellant aangedragen argumenten evenmin als nieuw feit of omstandigheid worden aangemerkt.

4.3.4. Met betrekking tot de periode na 9 oktober 2010 stelt de Raad voorop dat het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat appellant op grond van artikel 8a van de AOW geen aanspraak heeft op een toeslag krachtens de AOW, nu hij in de Dominicaanse Republiek woont, dient te worden onderschreven. De stelling van appellant dat hij op grond van de e-mail van de Svb van 22 oktober 2010 recht heeft op een toeslag volgt de Raad niet. De e-mail van de Svb van 2 november 2010 kan immers niet anders worden gezien als een herroeping van de e-mail van 22 oktober 2010. Gezien de omstandigheden van het geval – de inhoud van de e-mail van 22 oktober 2010 bevat een evidente foutieve beslissing – stond het de Svb vrij om deze fout binnen overigens zeer korte termijn te herstellen. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet slagen.

4.3.5. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij op basis van de door de Svb verstrekte informatie ten tijde van zijn verhuizing naar de Dominicaanse Republiek erop mocht vertrouwen dat zijn financiële toekomst gewaarborgd zou blijven. De intrekking van de toeslag heeft echter geleid tot een verslechtering. De Svb heeft hier volgens appellant ten onrechte geen rekening mee gehouden. Zoals de Raad reeds herhaaldelijk heeft overwogen zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard – in dit geval artikel 8a van de AOW – in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat die toepassing geen rechtsplicht meer is. Een dergelijk bijzonder geval doet zich naar het oordeel van de Raad in de situatie van appellant niet voor. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de kant van de Svb bij hem zodanige verwachtingen zijn gewekt dat hij te allen tijde zijn recht op een toeslag krachtens de AOW zou blijven behouden. Dat de intrekking van de toeslag financiële gevolgen heeft voor appellant is alleszins aannemelijk, maar dit is het gevolg van de werking van de Wet BEU en kan om die reden niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.

4.4. Uit hetgeen overwogen is onder 4.1 tot en met 4.3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.R. Baas.

JL