Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8491

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
09/6068 WWB + 09/6069 WWB + 11/5233 WWB + 11/3664 WWB + 11/3666 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het College heeft het door de Raad geconstateerde gebrek dat aan het besluit van 15 april 2008 kleefde, hersteld. Omdat het College op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak, wordt het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6068 WWB

09/6069 WWB

11/5233 WWB

11/3664 WWB

11/3666 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant) en [appellante], (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats] (België),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 oktober 2009, 08/1323 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W. de Kleine, advocaat te Emmen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Kraaikamp, werkzaam bij de gemeente Baarn.

Na een tussenuitspraak van de Raad van 22 maart 2011, LJN BQ0189 heeft het College op 8 augustus 2011 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Mr. De Kleine is in de gelegenheid gesteld de zienswijze van appellanten over dit besluit naar voren te brengen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De meervoudige kamer van de Raad heeft besloten de zaak te verwijzen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat naar zijn tussenuitspraak van 22 maart 2011.

2. De Raad stelt vast dat het College bij zijn besluit van 8 augustus 2011 het door de Raad geconstateerde gebrek dat aan het besluit van 15 april 2008 kleefde, heeft hersteld door de herziening van bijstand over de gehele periode van 8 juni 2006 tot en met 30 november 2006 en de intrekking van bijstand over de gehele periode van 22 februari 2007 tot en met 17 juli 2007 te wijzigen in die zin dat de bijstand van appellanten over de maanden september 2006 en april 2007 wordt ingetrokken omdat hun inkomen in die maanden hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm en de bijstand over de maanden juni 2006, november 2006 en mei 2007 wordt herzien door de genoten inkomsten in die maanden van € 500,--, € 340,-- respectievelijk € 628,16 in mindering te brengen op de bijstand.

3.1. De Raad stelt voorts vast dat nu met het besluit van 8 augustus 2011 niet geheel tegemoetgekomen is aan de bezwaren van appellanten, het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit.

3.2. Appellanten hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid hun zienswijze te geven over het besluit van 8 augustus 2011. De Raad stelt vast dat het College op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak, zodat het beroep tegen dit besluit ongegrond moet worden wordt verklaard.

4. De Raad komt op grond van hetgeen in de tussenuitspraak en hetgeen onder 3.2 is overwogen tot de onder III vermelde beslissing.

5. De Raad ziet tevens aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten begroot op € 437,-- (een punt voor het bijwonen van de zitting) voor verleende rechtsbijstand en op € 100,-- aan reiskosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 april 2008 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover het betreft de herziening van de bijstand over de periode van 8 juni 2006 tot en met 30 november 2006 en de intrekking van de bijstand over de periode van

22 februari 2007 tot en met 17 juli 2007;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 augustus 2011 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 537,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

IJ