Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8458

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
10-6773 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening ouderdomspensioen. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6773 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 november 2010, 09/5364 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 8 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. P. van de Linde hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. P. van de Linde. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de

Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is geboren in 1928 en ontving sinds 1993 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ter hoogte van het maximale pensioen voor een ongehuwde. Appellant is in 1991 als kostganger bij

[M.] in haar woning op het adres [adres] te [plaatsnaam] gaan wonen. Appellant en [M.] hebben de Svb in de periode van november 1993 tot en met september 2008 desgevraagd steeds bericht dat er behoudens een incidentele huurverhoging niets in deze woonsituatie is veranderd.

1.2. In januari 2009 heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het aan appellant verleende ouderdomspensioen. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is informatie opgevraagd bij diverse instanties, hebben huisbezoeken plaatsgevonden, hebben appellant en [M.] verklaringen afgelegd en is met hen een zogenoemde checklist onderzoek leefsituatie ingevuld die door hen beiden is ondertekend. De bevindingen van het onderzoek, zoals neergelegd in een rapport van 11 februari 2009, hebben de Svb tot de conclusie geleid dat appellant en [M.] in januari 2009 een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 1 van de AOW.

1.3. Bij besluit van 18 februari 2009, na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 oktober 2009, heeft de Svb met ingang van de maand februari 2009 het ouderdomspensioen van appellant herzien naar het ouderdomspensioen voor een gehuwde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 1 oktober 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep, evenals in beroep, met nadruk gesteld dat het besluit van 18 februari 2009 had moeten worden vernietigd, reeds omdat daarin niet is vermeld welke concrete feiten en omstandigheden hebben geleid tot het oordeel dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad stelt met appellant vast dat de feitelijke grondslag niet in het primaire besluit is bekendgemaakt en dat dit in strijd is met artikel 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad is vervolgens in de lijn met zijn vaste rechtspraak, evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak, van oordeel dat dit gebrek op grond van artikel 6:22 van de Awb kon worden en is hersteld in het besluit op bezwaar. Gelet hierop kan deze beroepsgrond niet leiden tot het door appellant gewenste resultaat.

4.2. Appellant heeft vervolgens als beroepsgrond aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant en [M.] een gezamenlijke huishouding voerden. Appellant stelt dat er altijd uitsluitend sprake is geweest van een commerciële leefsituatie, zoals ook bij eerdere onderzoeken door de Svb is vastgesteld. Volgens appellant bieden de bevindingen uit het in januari 2009 verrichte onderzoek geen objectieve rechtvaardiging voor het oordeel dat er toen sprake was van een gezamenlijke huishouding.

4.3. De Raad volgt appellant niet in deze stelling. De Raad is van oordeel dat uit de bevindingen van het onderzoek, waaronder met name de door [M.] en appellant tijdens het huisbezoek op 22 januari 2009 afgelegde verklaringen, blijkt dat naast het hoofdverblijf in dezelfde woning sprake was van wederzijdse zorg. De feiten en omstandigheden, die naar het oordeel van de Raad op juiste wijze zijn vastgesteld en terecht zijn aangemerkt als elementen van wederzijdse zorg, zijn, zoals vermeld in het besluit van 1 oktober 2009, dat [M.] en appellant gezamenlijk bezoek (bridgevrienden) in de woonkamer ontvingen; dat [M.] voor appellant de “vouwwas” deed en nu en dan een overhemd streek; dat appellant gebruik maakte van de woonkamer; dat de woonkamer mede was ingericht met zaken die aan appellant in eigendom toebehoorden of waarvan appellant de aanschafprijs had betaald; dat [M.] gebruik maakte van de auto van appellant en dat appellant en [M.] gezamenlijk activiteiten ondernamen als het bezoeken van bridgeavonden en een jaarlijkse hotelovernachting.

4.4. De Raad ziet in de enkele door appellant gestelde omstandigheid dat hem tijdens het huisbezoek niet werd toegestaan om de schriftelijke weergave van zijn verklaring op eigen gelegenheid nog eens zorgvuldig na te lezen en waar nodig aan te vullen of te corrigeren, geen aanleiding om niet van de juistheid van die weergave uit te gaan of om te oordelen dat appellant, zoals hij stelt, zijn verklaring onder voorbehoud of onder ontoelaatbare druk heeft ondertekend. De Raad volgt appellant ook niet in zijn betoog dat de in het besluit van 1 oktober 2009 vermelde feiten niet (geheel) in overeenstemming met de werkelijkheid zijn. Deze feiten zijn vastgesteld op grond van de door appellant en [M.] tegenover opsporingsambtenaren afgelegde en door hen ondertekende verklaringen; van een dergelijke verklaring mag naar vaste rechtspraak worden uitgegaan. De Raad volgt appellant evenmin in zijn stelling dat zijn woonsituatie sinds 1991 niet is veranderd en dat hij altijd huur heeft betaald, gebruik heeft gemaakt van de door hem gehuurde kamers en een eigen huishouding heeft gevoerd, zodat ook thans, evenals destijds, moet worden geoordeeld dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. De Raad stelt voorop dat die eerdere periode geen deel uitmaakt van de onderhavige procedure. De Raad merkt verder nog op dat de omstandigheid dat de Svb niet eerder dan in januari 2009 voldoende aanknopingspunten aanwezig achtte om te oordelen dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding, niet maakt dat de thans bestreden besluitvorming op een ondeugdelijke grondslag berust.

4.5. Gelet op het vorenstaande heeft de Svb terecht geoordeeld dat appellant vanaf januari 2009 een gezamenlijke huishouding voerde met [M.]. Hieruit volgt dat het aan appellant toegekende ouderdomspensioen voor een ongehuwde terecht met ingang van

1 februari 2009 is herzien naar een ouderdomspensioen voor een gehuwde.

4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding/duurzaam gescheiden leven.

HD