Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8393

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
11-1504 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Overschrijding vermogensgrens. Afkoopwaarde lijfrentepolis. Waardebepaling auto’s. Geen dringende reden om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1504 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 januari 2011, 10/1386 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. Bonnier, advocaat te Wijchen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bonnier. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft sedert 10 juni 2003 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het vermogen bij aanvraag van de bijstandsverlening is vastgesteld op een bedrag van € 2.640,02. De bijstand is met ingang van 15 februari 2006 beëindigd wegens werkhervatting van appellant.

1.2. Naar aanleiding van een bestandsvergelijking met de dienst Wegverkeer in januari 2005 heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de vermogenssituatie van appellant, omdat een aantal motorvoertuigen (auto’s en motorfietsen) in de periode van bijstandsverlening op naam van appellant had gestaan. In het kader van dit onderzoek is appellant op 21 augustus 2006 door de sociale recherche verhoord. Uit dit onderzoek, waarvan de bevindingen en conclusies zijn vastgelegd in de rapportage van 12 december 2006, is naar voren gekomen dat appellant ten tijde van zijn aanvraag om bijstand en gedurende de periode waarin hij bijstand heeft ontvangen, over meer motorvoertuigen heeft beschikt dan waarvan hij bij zijn aanvraag om bijstand en tijdens de bijstandverlening aan het College opgave had gedaan.

1.3. Bij besluit van 2 januari 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 10 juni 2003 ingetrokken en de kosten van de over de periode van 10 juni 2003 tot en met 14 februari 2006 verleende bijstand tot een bedrag van € 36.538,81 van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 13 augustus 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 januari 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van alle motorvoertuigen waarover hij in de onder 1.3 genoemde periode de beschikking heeft gehad en dat dientengevolge het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld.

1.5. Bij uitspraak van 6 augustus 2008, 07/3853, heeft de rechtbank Arnhem het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van die uitspraak, zulks met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht.

De rechtbank heeft - onder meer - geoordeeld dat de auto’s Mercedes 300 TD en Nissan en de motorfietsen Legend, Yamaha, Suzuki en Honda bestanddelen vormden van het vermogen waarover appellant op 10 juni 2003 beschikte of redelijkerwijs kon beschikken en dat appellant daarvan, behoudens voor zover het de Mercedes 300 TD en de Yamaha betreft, geen melding heeft gemaakt bij het College. Voorts heeft appellant nagelaten bij het College mededeling te doen van het verlies door diefstal van de Yamaha, de betaling van de ter zake van dit verlies gedane verzekeringsuitkering ten bedrage van € 5.910,--, de verwerving van een Volkswagen, een Fiat en een Mercedes 300D en de vervreemding van de Mercedes 300 TD. Daarmee heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Die schending heeft echter niet tot gevolg gehad dat het recht op bijstand over de gehele in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat het College de waarde van de diverse motorvoertuigen niet op objectiveerbare wijze heeft onderbouwd en dat in dit opzicht het besluit van 13 augustus 2007 niet zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank heeft voorts de door appellant tegen de terugvordering opgeworpen beroepsgrond verworpen dat het College jegens hem onzorgvuldig heeft gehandeld door hem eerst na drie jaar te confronteren met het onderzoek en de onderzoeksresultaten en dat hij daardoor in zijn verdediging is geschaad omdat het voor hem buitengewoon moeilijk is bewijsstukken over de transacties betreffende de genoemde motorvoertuigen en hun waarde te leveren.

1.6. Appellant heeft tegen de onder 1.5 genoemde uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het College op 16 maart 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant op 10 juni 2003 beschikte over een vermogen dat de voor hem toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschreed. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.7. Bij uitspraak van 10 november 2009, 09/1614, heeft de rechtbank Arnhem het beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 maart 2009 vernietigd, voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering en bepaald dat het College in zoverre een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, met inachtneming van die uitspraak, zulks met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. Met betrekking tot de vermogensvaststelling is in die uitspraak overwogen dat het College de waarde van de Legend heeft vastgesteld op € 11.000,-- en dat appellant die waardevaststelling niet heeft bestreden. Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de vaststelling door het College van de waarde van de Mercedes 300 TD en de Yamaha en de daarop betrekking hebbende beroepsgronden van appellant verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank beschikte appellant, reeds gelet op de waarde van de Legend motorfiets, gedurende de gehele in geding zijnde periode over een vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens. In het kader van de beoordeling van de terugvordering heeft de rechtbank zich niet kunnen verenigen met de berekening van het totale vermogen van appellant, met name niet met de waardebepaling van de Suzuki en Honda motorfietsen. Die waardebepaling is van belang geacht aangezien volgens het door het College gevoerde beleid inzake terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bij aanwezigheid van in aanmerking te nemen verzwegen vermogensbestanddelen, de terugvordering wordt gematigd tot het bedrag waarmee de waarde van het vermogensbestanddeel het vrij te laten vermogen overtreft. Nu het College niet de waarde van de Suzuki en de Honda heeft vastgesteld, is het College ook niet in staat het bedrag van de vermogensoverschrijding te berekenen, zodat het College geen toepassing kan geven aan het vorengenoemde beleid, aldus de rechtbank.

1.8. Appellant heeft tegen de onder 1.7 genoemde uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het College op 15 maart 2010 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij is de waarde van de Suzuki en van de Honda opnieuw vastgesteld. Dit heeft geleid tot een overschrijding van het vrij te laten vermogen met

€ 14.839,02. Dit is tevens het bedrag dat van appellant wordt teruggevorderd.

1.9. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 maart 2010 vernietigd, het besluit van 2 januari 2007 herroepen, bepaald dat de over de periode van 10 juni 2003 tot en met 14 februari 2006 ten onrechte verstrekte bijstand van appellant wordt teruggevorderd tot een bedrag van € 11.268,02, en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, zulks met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. Daarbij heeft de rechtbank de waarde van de Honda en Suzuki, gelet op de aanzienlijke ouderdom van deze voertuigen in overeenstemming met de opgave van appellant, respectievelijk op € 65,-- en op nihil bepaald. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er nog een schuld was bij Visa Card Services van € 402,-- en dat ten tijde van de aanvraag op de spaarrekening van appellant niet een saldo van € 219,12 stond, zoals het College had aangenomen, maar een saldo van € 159,12. Naar aanleiding van hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd omtrent de afkoopwaarde van de lijfrentepolis, heeft de rechtbank overwogen dat deze afkoopwaarde ten bedrage van € 6.339,-- terecht tot het vermogen van appellant is gerekend en dat hier niet aan afdoet dat het afkopen gepaard zou gaan met een aanzienlijk financieel verlies. Na saldering van het totale vermogen van € 19.565,-- met de vastgestelde schulden van appellant is de vermogensoverschrijding, met inachtneming van de toenmaals geldende vermogensgrens van € 4.975,--, door de rechtbank bepaald op € 11.268,02.

3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de over de periode van 10 juni 2003 tot en met 14 februari 2006 verleende bijstand tot een bedrag van € 11.268,-- wordt teruggevorderd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank bij de vaststelling van de afkoopwaarde van de lijfrentepolis ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de inkomstenbelasting die appellant over 2017 zal moeten betalen over het in dat jaar uit te keren bedrag van de lijfrentepolis. De Raad verwerpt deze beroepsgrond. De Raad overweegt daartoe dat in de toekomst te betalen belasting geen concrete schuld vormt waarmee in het kader van de toepassing van de WWB bij de vaststelling van het vermogen rekening dient te worden gehouden.

4.2. Ter zitting is van de zijde van appellant aangevoerd dat de lijfrentepolis op 10 juni 2003 niet kon worden afgekocht, zodat de rechtbank ten onrechte de op dat moment geldende contante waarde van de polis bij de vaststelling van het totale vermogen op die datum heeft betrokken. De Raad gaat aan deze beroepsgrond voorbij aangezien deze in strijd met de goede procesorde eerst ter zitting naar voren is gebracht, het College daarop niet heeft kunnen reageren en voorts niet is gebleken dat die beroepsgrond niet eerder had kunnen worden aangevoerd.

4.3. Appellant heeft verder aangevoerd dat motorfiets Legend geen bestanddeel vormde van het vermogen waarover hij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Deze beroepsgrond kan thans niet meer aan de orde komen omdat de rechtbank hieromtrent in de hiervoor onder 1.5 genoemde uitspraken al een oordeel heeft gegeven. Ook aan de beroepsgrond dat de waarde van de Legend minder dan € 11.000,-- bedraagt, gaat de Raad voorbij. In zijn onder 1.7 genoemde uitspraak heeft de rechtbank immers expliciet overwogen dat het College die waarde op € 11.000,-- heeft vastgesteld, dat appellant die waarde niet heeft bestreden en heeft zij geoordeeld dat, gelet op de waarde van de Legend, appellant gedurende de gehele te beoordelen periode beschikte over een vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens. Ook tegen deze uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld.

4.4. Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank de waarde van de Yamaha en de Mercedes 300 TD te hoog heeft vastgesteld. De waarde van de Yamaha bedroeg ten tijde hier van belang niet € 6.000,--, maar € 5.550,-- en de waarde van de Mercedes 300 TD dient volgens appellant op nihil te worden gesteld omdat volgens het beleid van het College auto’s met een waarde beneden de € 4.538,-- niet bij de vaststelling van het vermogen worden betrokken. Ook deze beroepsgrond kan thans niet meer aan de orde komen. De Raad stelt vast dat appellant in een eerder stadium van de procedure heeft bestreden dat het College de waarde van de Yamaha en de Mercedes 300 TD niet juist heeft vastgesteld. De rechtbank heeft in de onder 1.5 genoemde uitspraak de betreffende beroepsgronden van appellant verworpen en heeft zich met de door het College vastgestelde waarde van die auto’s verenigd. Tegen die uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank van de door het College vastgestelde waarde uitgegaan.

4.5. Appellant heeft voorts aangevoerd dat er bij de terugvordering rekening mee moet worden gehouden dat het College onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld door hem eerst twee jaar na de start van het onderzoek met dit onderzoek en de resultaten ervan te confronteren. Volgens appellant is hij daardoor in zijn verdediging geschaad aangezien het voor hem buitengewoon moeilijk is om na verloop van jaren nog bewijsstukken ter zake van aankoop en verkoop van auto’s aan te leveren ten einde aan de hand daarvan de waarde van de auto’s te bepalen. De Raad stelt vast dat de rechtbank in de onder 1.5 genoemde uitspraak deze beroepsgrond heeft verworpen en dat appellant tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld. De Raad gaat daarom aan die beroepsgrond voorbij.

4.6.1. Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat sprake is van een dringende reden op grond waarvan van terugvordering moet worden afgezien. Appellant heeft in dat verband gesteld dat hij al vanaf 2003 een inkomen beneden bijstandsniveau heeft en hij aanzienlijke schulden heeft. Volgens appellant is aflossen van de terugvordering onmogelijk en zal hij tot in lengte van jaren met de terugvorderingsschuld blijven zitten.

4.6.2. Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak van de Raad slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Naar het oordeel van de Raad is hiervan in het onderhavige geval geen sprake. De Raad wijst er op dat financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft een belanghebbende als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels omtrent de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.6.3. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin dringende redenen als vorenbedoeld, noch bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregels had moeten afwijken.

4.7. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet bevestigd worden.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) I. Mos.

HD