Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
10-5077 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Met de aangenomen beperkingen, waaronder een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week, is in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de bij appellante bestaande problematiek. Voldoende arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5077 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 augustus 2010, 10/483 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 februari 2011 heeft mr. E. Wits, advocaat te Utrecht, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden, waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wits. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 12 januari 2010, hierna: het bestreden besluit.

1.2. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv, onder gegrond verklaring van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 augustus 2009, appellante alsnog met ingang van 3 november 2008 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het besluit van 11 augustus 2009 strekt tot weigering aan appellante met ingang van 3 november 2008 van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op de grond dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

2.1. De rechtbank heeft in hetgeen van de zijde van appellante was aangevoerd ter onderbouwing van haar opvatting dat zij volledig arbeidsongeschikt is, geen aanleiding gevonden om niet de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts te volgen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat beide verzekeringsartsen appellante op het spreekuur hebben gezien en de beschikbare informatie uit de behandelend sector in hun beoordeling hebben betrokken.

2.2. Dat de bedrijfsarts appellante kort na de datum in geding niet belastbaar heeft geacht met arbeid, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht, waartoe de rechtbank onder meer heeft overwogen dat de bedrijfsarts een niet nader onderbouwd oordeel heeft gegeven over de mogelijkheden die appellante op dat moment had ten aanzien van hervatting in de eigen arbeid, zodat aan het oordeel van de bedrijfsarts een andere betekenis toekomt dan aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

2.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts tevens toereikend gemotiveerd dat met een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week afdoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante. Ook de in dit verband door appellante naar voren gebrachte stelling dat een ruimere urenbeperking is aangewezen vanuit een oogpunt van beperkte beschikbaarheid voor arbeid in verband met door haar ondergane behandelingen, is door de rechtbank niet gevolgd, onder overweging dat haar behandelingen bij psychiater en fysiotherapeut op de datum in geding nog niet waren aangevangen.

2.4. Ten slotte heeft de rechtbank zich ook kunnen stellen achter de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank acht de passendheid van de bij de schatting gebruikte functies voldoende gemotiveerd, ook wat betreft de omvang daarvan.

3.1. Appellante heeft de in beide eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden in hoger beroep herhaald. In het bijzonder handhaaft zij haar opvatting dat zij in verband met haar pijn- en vermoeidheidsklachten en psychische klachten op de in geding zijnde datum 3 november 2008 in het geheel niet belastbaar was met arbeid. Appellante heeft daarbij aangegeven dat zij eerst recent heeft onderkend dat haar pijn- en vermoeidheidsklachten niet zozeer een lichamelijke als wel een psychische achtergrond hebben. Haar klachten op dit gebied hangen samen met haar zeer belastende privé omstandigheden.

3.2. Appellante wijst andermaal op het oordeel van de bedrijfsarts en op de spoedverwijzing door haar huisarts naar de Riagg, waar zij in december 2008 haar intake had. Voorts heeft appellante in hoger beroep ter nadere ondersteuning van haar opvatting verklaringen ingezonden van de bedrijfsarts R. Martina en van de bedrijfsmaatschappelijk werkster A. Popken. Appellante herhaalt ook haar - door de rechtbank afgewezen - verzoek tot raadpleging van een onafhankelijk deskundige.

4.1. De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank en het daarop door haar gegronde oordeel.

4.2. Naar aanleiding van hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad dat hij met de rechtbank in het kader van de voorliggende rechtsvraag in het bijzonder betekenis toekent aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. De Raad is van oordeel dat het onderzoek door die artsen als voldoende uitvoerig en ook overigens als voldoende zorgvuldig valt aan te merken, waarbij naast de resultaten uit eigen medisch onderzoek ook de beschikbare informatie uit de behandelend sector en de overige informatie, zoals die van de bedrijfsarts, in de beoordeling is betrokken.

4.3. De Raad heeft in navolging van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om niet de verzekeringsartsen te volgen in hun conclusie dat met de uiteindelijk ten aanzien van appellante aangenomen beperkingen, waaronder een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week, in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de ten tijde in geding bij appellante bestaande problematiek. De Raad is niet zonder begrip voor de bezwarende privé omstandigheden waarmee appellante te kampen heeft gehad, maar is van oordeel dat voor de stelling van appellante dat zij in het geheel niet belastbaar was met arbeid, een toereikende objectief-medische onderbouwing ontbreekt.

4.4. Een dergelijke onderbouwing heeft de Raad ook niet aangetroffen in de spreekuurverslagen van de bedrijfsarts Martina van oktober en december 2008. De Raad neemt daarbij in aanmerking de reactie van de bezwaarverzekeringsarts G.H. Nagtegaal van 12 januari 2010 op die verslagen, waarin deze erop wijst dat - ook uit de informatie van de psychiater - niet is gebleken van een zodanig ernstige psychiatrische stoornis bij appellante dat aannemelijk zou zijn dat zij geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden zou hebben.

4.5. Met betrekking tot de in hoger beroep ingezonden nadere verklaring van Martina van 14 juni 2011, overweegt de Raad dat hij de bezwaarverzekeringsarts R. Blanker kan volgen in diens commentaar, als vervat in het rapport van 19 oktober 2011, dat die verklaring en de daarin opgenomen uiteenzetting van de klachten van appellante en het beloop van haar begeleiding, geen inzichten opleveren die nog niet zijn meegewogen. Ten aanzien van de in hoger beroep ingezonden verklaring van de bedrijfsmaatschappelijk werker is in evenvermeld rapport van Blanker voorts naar het oordeel van de Raad terecht vastgesteld dat daarin geen nieuwe medische feiten worden vermeld.

4.6. Met betrekking tot de door appellante aangegeven beperkte beschikbaarheid voor arbeid ten tijde hier van belang, in verband met door haar ondergane of op korte termijn na de datum in geding te ondergane behandelingen, overweegt de Raad nog, onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, dat de geplande behandeling voor fibromyalgie, anders dan waarvan appellante was uitgegaan bij het formuleren van deze grond, eerst in oktober 2009 van start is gegaan. Voorts leggen, naar eveneens ter sprake is gekomen ter zitting, de resterende behandelingen tezamen niet een zodanig tijdsbeslag, dat de reeds in aanmerking genomen urenbeperking tot het volgen van die behandelingen niet voldoende gelegenheid zou bieden.

4.7. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat ook de Raad zich in de medische grondslag van het bestreden besluit kan vinden. Daarin ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet tot inwilliging van het verzoek van appellante tot raadpleging van een onafhankelijk medisch deskundige.

4.8. Ten slotte overweegt de Raad dat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in rechte geen bezwaren ontmoet. Door de (bezwaar)arbeidsdeskundige is genoegzaam toegelicht dat de bij de schatting betrokken functies, gegeven de voor appellante vastgestelde belastbaarheid en gelet op de aan die functies verbonden belasting, geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen.

4.9 Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK