Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
09-6170 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar aanvraag algemene bijstand niet-ontvankelijk.

Er was geen aanvraag om algemene bijstand waarop nog niet was beslist. Het College had het bezwaar van appellant betreffende de algemene bijstand, welk bezwaar moet worden opgevat als bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op de gestelde aanvraag om algemene bijstand, niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Langdurigheidstoeslag. Bij Wet van 6 maart 2008, Stb. 2008, 87, is artikel 36 van de WWB gewijzigd, waarmee het bestaan van ongerechtvaardigd onderscheid tussen bijstandgerechtigden en personen met een gedeeltelijk WAO-uitkering ongedaan is gemaakt. Dit betekent, anders dan de rechtbank en het College hebben aangenomen, dat in het geval van appellant artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding, buiten toepassing moet worden gelaten. Het College heeft ten onrechte geweigerd appellant een langdurigheidstoeslag toe te kennen over de periode van 1 januari 2004 tot 1 juli 2006 (datum met ingang waarvan langdurigheidstoeslag is toegekend). De rechtbank heeft dit niet onderkend. Afwijzing bijzondere bijstand voor de premiekosten. Het bezwaar van appellant betreffende de bijzondere bijstand voor de premiekosten moet worden opgevat als bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek van 7 mei 2008 voor zover daarbij bijzondere bijstand was aangevraagd voor die kosten. De rechtbank had de beslissing op bezwaar in de beroepsprocedure moeten betrekken.

Het College heeft het verzoek terecht heeft afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6170 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 oktober 2009, 08/9267 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. C.I. Zaad, advocaat te ’s-Gravenhage, de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Voor appellant zijn verschenen mr. Zaad en [naam partner], de partner van appellant. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds april 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Daarnaast ontvangt hij een toeslag op grond van de Toeslagenwet.

1.2. Op 27 april 2001 heeft appellant een aanvraag om algemene bijstand ingediend op grond van de Algemene bijstandswet. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld. Het bezwaar van appellant daartegen is niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 30 juli 2002 heeft de rechtbank het beroep tegen het desbetreffende besluit op bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Het verzet tegen deze uitspraak heeft de rechtbank bij uitspraak van 1 november 2002 ongegrond verklaard.

1.3. Op 14 augustus 2007 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de premie voor de collectieve standaard aanvullende zorgverzekering (hierna: premiekosten). Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het College appellant met ingang van 1 augustus 2007 tot 1 augustus 2008 bijzondere bijstand voor deze kosten verleend. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar, dat zich richtte tegen de ingangsdatum, waarbij appellant had gesteld dat hij met ingang van 1 januari 2006 recht had op bijzondere bijstand voor de premiekosten, heeft het College bij besluit van 19 februari 2008 ongegrond verklaard.

1.4. Appellant heeft zich bij brief van 7 mei 2008 tot het College gewend met het verzoek:

- hem met ingang van 1 januari 2004 een langdurigheidstoeslag toe te kennen en

- hem met ingang van 1 januari 2004 bijzondere bijstand te verlenen voor de premiekosten.

Op het bij deze brief gevoegde aanvraagformulier voor langdurigheidstoeslag heeft appellant het volgende opgemerkt: “P.s. Wij wensen de langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht te ontvangen. Daar wij nooit 1 cent bijstand hebben ontvangen. Sinds 2001, april.”

1.5. Bij besluit van 7 juli 2008 heeft het College appellant langdurigheidstoeslag toegekend over de periode van 1 juli 2006 tot 1 juli 2009.

1.6. Appellant heeft bij het tegen dit besluit gemaakte bezwaar aangevoerd:

- dat het College ten onrechte niet heeft beslist op de in het verzoek van 7 mei 2008 opgenomen aanvraag om bijzondere bijstand voor de premiekosten;

- dat met dat verzoek ook is beoogd algemene bijstand toegekend te krijgen met terugwerkende kracht tot - in ieder geval - april 2001 en

- dat de langdurigheidstoeslag toegekend had moeten worden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004.

1.7. Bij besluit van 11 november 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2008 ongegrond verklaard, voor zover het de algemene bijstand en de langdurigheidstoeslag betreft, en niet-ontvankelijk voor zover het de bijzondere bijstand voor de premiekosten betreft. Hieraan heeft het College, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Algemene bijstand

Noch uit de brief van 7 mei 2008 noch uit het aanvraagformulier voor langdurigheidstoeslag blijkt dat er een aanvraag om algemene bijstand is gedaan.

Langdurigheidstoeslag

Bij uitspraak van 4 juli 2006, LJN AY0173, heeft de Raad geoordeeld dat bij de langdurigheidstoeslag in de Wet werk en bijstand (WWB) een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen bijstandsgerechtigden en personen met een gedeeltelijke WAO-uitkering. De codificatie van deze uitspraak in artikel 36 van de WWB werkt terug tot en met 29 augustus 2006. In de gemeente Westland hebben gedeeltelijk arbeidsongeschikten al vanaf 1 juli 2006 recht op een langdurigheidstoeslag.

Bijzondere bijstand voor de premiekosten

Appellant heeft geen beroep ingesteld tegen het onder 1.3 vermelde besluit van 19 februari 2008.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 november 2008 ongegrond verklaard voor zover het de algemene bijstand en de langdurigheidstoeslag betreft. Voorts heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beroep voor zover het de bijzondere bijstand voor de premiekosten betreft. Ten aanzien van dit laatste heeft de rechtbank overwogen dat het College pas bij het besluit van 11 november 2008 voor het eerst in zoverre op het verzoek van 7 mei 2008 heeft gereageerd en dat dit besluit in zoverre moet worden aangemerkt als een nieuw primair besluit. De rechtbank heeft hierbij vermeld dat zij het beroepschrift in zoverre als bezwaarschrift zal doorsturen naar het College.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat, en waarom, hij vanaf 1 januari 2004 recht heeft op een langdurigheidstoeslag en op bijzondere bijstand voor de premiekosten en dat, en waarom, hij vanaf april 2001 recht heeft op algemene bijstand.

4. Bij besluit van 25 januari 2010 heeft het College het bezwaar van appellant betreffende de bijzondere bijstand voor de premiekosten ongegrond verklaard. Hieraan is, samengevat, ten grondslag gelegd dat er in het geval van appellant geen bijzondere omstandigheden zijn om af te wijken van het uitgangspunt dat geen (bijzondere) bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Algemene bijstand

5.1.1. De Raad stelt allereerst vast dat op de aanvraag om algemene bijstand van 27 april 2001 onherroepelijk is beslist. Anders dan appellant kennelijk veronderstelt, brengt de omstandigheid dat deze aanvraag destijds - in zijn visie ten onrechte - buiten behandeling is gesteld niet met zich dat daarop alsnog inhoudelijk moet worden beslist.

5.1.2. De Raad is voorts, met de rechtbank en het College, van oordeel dat het verzoek van 7 mei 2008 en/of het daarbij gevoegde aanvraagformulier voor langdurigheidstoeslag niet tevens een aanvraag om algemene bijstand omvat. Anders dan appellant stelt, kan een dergelijke aanvraag niet worden gelezen in de opmerking op dat formulier dat hij sinds april 2001 nooit één cent bijstand heeft ontvangen. Ook overigens blijkt uit de beschikbare gegevens niet dat er op enig moment na 27 april 2001 een nieuwe aanvraag om algemene bijstand tot stand is gekomen.

5.1.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, staat vast dat er geen sprake was van een aanvraag om algemene bijstand waarop nog niet was beslist. Van het uitblijven van een beslissing op een daartoe strekkende aanvraag was dus ook geen sprake. Hieruit volgt dat het College het bezwaar van appellant betreffende de algemene bijstand, welk bezwaar moet worden opgevat als bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op de gestelde aanvraag om algemene bijstand, niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

5.2. Langdurigheidstoeslag

5.2.1. In artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WWB, zoals deze bepaling luidde vanaf 1 januari 2004, was bepaald dat het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag verleent aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm (…);

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen.

Gelet op de onder b geformuleerde voorwaarde voor het verkrijgen van een langdurigheidstoeslag konden personen met een gedeeltelijke WAO-uitkering zonder inkomsten uit arbeid, zoals appellant, geen aanspraak maken op een langdurigheidstoeslag.

5.2.2. Bij zijn onder 1.7 genoemde uitspraak van 4 juli 2006 heeft de Raad geoordeeld, zoals ook is verwoord in het besluit van 11 november 2008, dat bij de langdurigheidstoeslag in de WWB een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen bijstandsgerechtigden en personen met een gedeeltelijke WAO-uitkering. De Raad heeft in dat geval om die reden artikel 36, eerste lid, onder b, van de WWB wegens strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) buiten toepassing gelaten.

5.2.3. Naar aanleiding van deze uitspraak is bij Wet van 6 maart 2008, Stb. 2008, 87, artikel 36 van de WWB gewijzigd. Met deze wetswijziging die met ingang van 28 maart 2008 in werking is getreden - en niet met terugwerkende kracht tot 29 augustus 2006, waarvan de rechtbank en het College zijn uitgegaan - is het onder 5.2.2 bedoelde onderscheid ongedaan gemaakt. Dit betekent echter niet, anders dan de rechtbank en het College hebben aangenomen, dat het bepaalde in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, zoals dit artikel luidde vóór de wijziging daarvan, onverkort van toepassing is op de aanvraag van appellant om een langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant met een beroep op de uitspraak van de Raad van 4 juli 2006 heeft aangevoerd dat die bepaling in zijn geval wegens strijd met artikel 26 IVBPR buiten toepassing moet worden gelaten. De Raad wijst er voorts op dat in de memorie van toelichting bij de wetswijziging is opgemerkt (Kamerstukken II, 2006-2007, 31 138, nr. 3, p. 5), dat de consequentie van de uitspraak van de Raad van 4 juli 2006 is dat iedere gedeeltelijk arbeidsgeschikte zonder inkomsten uit arbeid die voldoet aan de overige voorwaarden recht heeft op langdurigheidstoeslag. De Raad zal dan ook om dezelfde reden als in het geval van zijn uitspraak van 4 juli 2006 in het geval van appellant artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding, te weten in de periode van 1 januari 2004 tot 1 juli 2006, buiten toepassing laten.

5.2.4. Zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld - zie de uitspraak van 22 juli 2008, LJN BD8637 -, staat artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel d, noch enig ander onderdeel van artikel 36 van de WWB eraan in de weg om een eerdere datum dan die waarop de aanvraag is gedaan als peildatum aan te merken en is de peildatum van de langdurigheidstoeslag de datum waarop de periode van 60 maanden als bedoeld in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is bereikt. In het geval van appellant was die periode bereikt op 1 januari 2004. Nu niet in geschil is dat appellant met ingang van die datum voldeed aan de overige voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de WWB, heeft het College ten onrechte geweigerd appellant een langdurigheidstoeslag toe te kennen over de periode van 1 januari 2004 tot 1 juli 2006 (datum met ingang waarvan langdurigheidstoeslag is toegekend). De rechtbank heeft dit niet onderkend.

5.3. Bijzondere bijstand voor de premiekosten

5.3.1. De Raad vat het bezwaar van appellant betreffende de bijzondere bijstand voor de premiekosten op als bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek van 7 mei 2008 voor zover daarbij bijzondere bijstand was aangevraagd voor die kosten. De Raad stelt vervolgens vast dat het College met zijn besluit van 11 november 2008 heeft beoogd de aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten af te wijzen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb en aldus na bezwaar inhoudelijk op deze aanvraag heeft beslist. Gelet hierop had de rechtbank dit besluit in zoverre met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb in de beroepsprocedure moeten betrekken. Dit betekent dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard van het beroep kennis te nemen voor zover het de bijzondere bijstand voor de premiekosten betreft.

5.4. Het voorgaande brengt de Raad tot de volgende slotoverwegingen.

5.4.1. De aangevallen uitspraak komt in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 11 november 2008 gegrond verklaren voor zover het de algemene bijstand en de langdurigheidstoeslag betreft en dat besluit in zoverre vernietigen wegens strijd met de wet.

5.4.2. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1.3 zal de Raad voorts, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door het bezwaar betreffende de algemene bijstand niet-ontvankelijk te verklaren. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2.5 ziet de Raad tevens aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 7 juli 2008 te herroepen, voor zover daarbij is geweigerd langdurigheidstoeslag toe te kennen over de periode van 1 januari 2004 tot 1 juli 2006, en te bepalen dat aan appellant alsnog een langdurigheidstoeslag over die periode wordt toegekend.

5.4.3. Voor zover het beroep van appellant tegen het besluit van 11 november 2008 de bijzondere bijstand voor de premiekosten betreft, ziet de Raad geen aanleiding om de zaak in zoverre terug te wijzen naar de rechtbank. De Raad zal dan ook, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van appellant tegen het besluit van 11 november 2008 in zoverre inhoudelijk beoordelen. Hij overweegt daartoe het volgende.

5.4.4. De Raad stelt vast dat, gelet op hetgeen is overwogen onder 5.3.1, het College bij het onder 4 genoemde besluit van 25 januari 2010 ten onrechte heeft beslist op het - ten onrechte - als bezwaarschrift doorgezonden gedeelte van het beroepschrift dat ziet op de bijzondere bijstand voor premiekosten. Dat betekent dat het besluit van 25 januari 2010 voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad ziet aanleiding om de in het besluit van 25 januari 2010 opgenomen nadere motivering van het College te betrekken bij de beoordeling van het besluit van 11 november 2008, was de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor premiekosten in het besluit van 11 november 2008 gebaseerd op artikel 4:6 van de Awb, aan het besluit van 25 januari 2010 is aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat in het geval van appellant zich geen bijzondere omstandigheden voordoen om af te wijken van het uitgangspunt dat geen bijstand wordt verstrekt over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend.

5.4.5. De Raad ziet, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 maart 2010, LJN BM0861, in het onderhavige geval aanleiding onderscheid te maken in een tweetal periodes, gelet op het verschil in toetsingkader.

5.4.6. De eerste periode betreft de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2006 (hierna: periode I). Over deze periode heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. Nu deze periode ligt vóór de datum van de aanvraag op 7 mei 2008 wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de artikelen 43 en 44 van de WWB, waaronder zijn uitspraak van 19 januari 2010, LJN BK9960, over deze periode in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.

5.4.7. De tweede periode betreft de periode van 1 januari 2006 tot 1 augustus 2007, waarover zoals in overweging 1.3 naar voren kwam reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden (hierna: periode II). In een dergelijk geval ligt het op de weg van de aanvrager om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb aan te voeren op grond waarvan er voor het bestuursorgaan aanleiding moet zijn van zijn eerdere besluitvorming terug te komen.

5.4.8. Ten aanzien van periode I, waarbij het gaat om bijstandsverlening met terugwerkende kracht, stelt de Raad vast dat appellant geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

5.4.9. Ten aanzien van periode II dient de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de premiekosten te worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag om bijstand. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb op grond waarvan het College aanleiding had moeten zien om van zijn onder 1.3 vermelde besluit van 19 februari 2008 terug te komen.

5.4.10. Uit het voorgaande volgt dat het College bij het besluit van 11 november 2008, het verzoek van 7 mei 2008, voor zover daarbij bijzondere bijstand is aangevraagd voor de premiekosten, terecht heeft afgewezen. De Raad zal dan ook, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 11 november 2008, voor zover dat ziet op de bijzondere bijstand voor de premiekosten ongegrond verklaren.

6. De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar wegens verleende rechtsbijstand, op € 6,46 in beroep wegens reiskosten van appellant en op € 874,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 november 2008 voor zover dat ziet op de algemene bijstand en de langdurigheidstoeslag gegrond;

Vernietigt het besluit van 11 november 2008 in zoverre;

Vernietigt het besluit van 25 januari 2010;

Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk voor zover het de algemene bijstand betreft;

Herroept het besluit van 7 juli 2008, voor zover daarbij is geweigerd langdurigheidstoeslag toe te kennen over de periode van 1 januari 2004 tot 1 juli 2006, en bepaalt dat aan appellant alsnog langdurigheidstoeslag over die periode wordt toegekend;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 november 2008, voor zover dat ziet op de bijzondere bijstand voor premiekosten ongegrond;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.524,46;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) I. Mos.

HD