Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
09-3634 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand met 100% gedurende een maand. Verwijtbaar niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Bij de beoordeling of appellant de onderhavige verplichting verwijtbaar niet is nagekomen dienen de uit zijn geloofsovertuiging voortkomende zwaarwegende bezwaren tegen bepaalde arbeid te worden gerespecteerd. Er is echter geen reden om aan te nemen dat het voor appellant op onoverkomelijke bezwaren zou stuiten als de werkzaamheden zodanig waren georganiseerd dat hij niet direct met varkensvlees in aanraking zou komen, bijvoorbeeld doordat hij uitsluitend zou worden belast met toezicht op de afhandeling van bestellingen van supermarkten. Door deze opstelling heeft appellant geen gebruik van de mogelijkheid om arbeid te verkrijgen die ook voor hem acceptabel was. Geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden en mogelijkheden van appellant het College aanleiding hadden moeten geven een lichtere maatregel op te leggen of dat appellant door de verlaging onredelijk zwaar is getroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3634 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2009, 08/4729 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Appellant is, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds geruime tijd bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Appellant heeft op 26 juni 2008 via Team Work uitzendbureau B.V. (hierna: Team Work) het aanbod gekregen voor werk bij de Vershal in Almere, deels bestaande uit productiewerk (het inpakken van vleesproducten) en deels uit het houden van toezicht op de afhandeling van bestellingen van supermarkten. Het betrof een vacature voor 37,5 uur per week gedurende minimaal negen maanden. Appellant heeft dit aanbod afgeslagen, omdat hij eerst met vakantie naar Marokko wilde. In deze opstelling heeft appellant volhard, ook nadat hem was gewezen op de mogelijkheid dat dit kan leiden tot de verlaging van de bijstand met 100% gedurende een maand. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om uiterlijk op 30 juni 2008 contact op te nemen met het uitzendbureau om terug te komen op zijn besluit.

1.3. Naar aanleiding van deze weigering heeft het College bij besluit van 30 juni 2008 de bijstand van appellant gedurende een maand met 100% verlaagd. Bij besluit van 23 oktober 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2008 ongegrond verklaard. Aan het besluit op bezwaar ligt ten grondslag dat appellant zeer ernstig tekortgeschoten is in de verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen na te komen. Daarbij is mede in ogenschouw genomen dat appellant eerder onvoldoende medewerking heeft verleend aan een re-integratietraject bij Sagenn en dat hij na zijn afwijzing van het werkaanbod heeft nagelaten contact op te nemen met het uitzendbureau. In het tijdens de hoorzitting door appellant aangevoerde bezwaar dat van hem als moslim niet gevergd kan worden werkzaamheden te verrichten bestaande uit het inpakken van varkensvlees, heeft het College geen aanleiding gezien om de verlaging van bijstand niet te handhaven.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

23 oktober 2008 ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

5. De Raad komt in deze zaak tot de volgende beoordeling.

5.1. Op 26 oktober 2011 is bij de Raad binnengekomen een brief van gelijke datum van het College. De Raad heeft deze brief ter zitting teruggegeven aan de gemachtigde van het College, aangezien deze binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedoelde termijn van 10 dagen voor de zitting is ingediend.

5.2. Niet is in geschil is dat appellant ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB verplicht was naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden. Bij het niet nakomen van deze verplichting is het College, gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB, gehouden de bijstand te verlagen tenzij elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellant is van mening dat het College had moeten afzien van verlaging van de bijstand omdat hem niet te verwijten valt dat hij het aangeboden werk bij de Vleeshal heeft geweigerd in verband met zijn religieuze bezwaren tegen het werken met varkensvlees. Aangevoerd is dat religieuze en levensbeschouwelijke bezwaren per definitie persoonlijk zijn en dat het onmogelijk is aannemelijk te maken dat dergelijke bezwaren daadwerkelijk zwaarwegend zijn. Volgens appellant is het voldoende als een moslim kenbaar maakt bezwaar te hebben tegen het werken met varkensvlees, omdat het een notoir feit is dat moslims ernstige bezwaren hebben tegen varkens en varkensvlees.

5.3. De Raad stelt voorop dat bij de beoordeling of appellant de onderhavige verplichting verwijtbaar niet is nagekomen de uit zijn geloofsovertuiging voortkomende zwaarwegende bezwaren tegen bepaalde arbeid dienen te worden gerespecteerd. Uit de gedingstukken blijkt overigens niet dat appellant op enig moment tegenover de betrokken medewerkers van de gemeente Amsterdam kenbaar heeft gemaakt dat hij in verband met zijn geloofsovertuiging dergelijke bezwaren heeft tegen bepaalde arbeid. Appellant heeft op het aanbod van Team Work op 26 mei 2008 onmiddellijk afwijzend gereageerd en daarvoor als reden opgegeven dat hij eerst met vakantie naar Marokko wilde. Appellant heeft zich niet, al dan niet via Team Work, bij de Vleeshal in Almere georiënteerd over de precieze inhoud van de functie en of met de invulling daarvan in voldoende mate rekening kan worden gehouden met zijn bezwaren. De Raad ziet niet in dat het voor appellant op onoverkomelijke bezwaren zou stuiten als de werkzaamheden zodanig waren georganiseerd dat hij niet direct met varkensvlees in aanraking zou komen, bijvoorbeeld doordat hij uitsluitend zou worden belast met toezicht op de afhandeling van bestellingen van supermarkten. Door deze opstelling heeft appellant geen gebruik van de mogelijkheid om arbeid te verkrijgen die ook voor hem acceptabel was.

5.4. Gelet op het vorenstaande is sprake van het verwijtbaar niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Bij de verlaging van de bijstand van appellant heeft het College gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Amsterdam. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden en mogelijkheden van appellant het College aanleiding hadden moeten geven een lichtere maatregel op te leggen of dat appellant door de verlaging onredelijk zwaar is getroffen. Daarbij tekent de Raad aan dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant in april 2008 onvoldoende medewerking heeft verleend aan een voorschakeltraject bij Sagenn, hetgeen hij niet heeft weersproken.

5.5. Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M.C. Nijholt.

HD