Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
10-6983 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering. De waardering van de functie afdelingshoofd Ruimte en Economie op het item functionele vorming berust op voldoende gronden. De reorganisatie heeft een andere opzet van de organisatie en verdeling van taken meegebracht waardoor van de afdelingshoofden minder inhoudelijke kennis van het beleidsterrein wordt verwacht dan voorheen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6983 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 25 november 2010, 09/1137 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (hierna: college)

Datum uitspraak: 15 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2011. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Maas, werkzaam bij de gemeente Terneuzen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam bij de gemeente Terneuzen. Na de herindeling per 1 januari 2003 bestond de gemeentelijke organisatie uit verschillende sectoren onder leiding van de gemeentesecretaris, 4 directeuren en 18 afdelingshoofden. De directie Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling bestond uit 4 afdelingen, waaronder de afdeling Milieu en Natuur en de afdeling Ruimte. Appellant was afdelingshoofd Milieu en Natuur, welke functie was ingedeeld in schaal 13. In 2004 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de waardering van die functie. In dat kader heeft hij zijn functie vergeleken met de functie van afdelingshoofd Ruimte, ingedeeld in schaal 14. Het bezwaar van appellant is ongegrond verklaard.

1.2. Met de reorganisatie van de directie Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling heeft het sectormodel plaats gemaakt voor het directiemodel. In het kader van de reorganisatie heeft het college een functieboek vastgesteld. Naast de gemeentesecretaris/algemeen directeur en de adjunct-secretaris zijn er thans 8 afdelingshoofden. De functie van afdelingshoofd is ingedeeld in schaal 13. Het college heeft op 9 november 2006 de beschrijving van de functie afdelingshoofd Omgeving en Economie vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 27 april 2007 heeft het college aan appellant meegedeeld dat hij per 13 april 2007 is benoemd in de functie van afdelingshoofd Omgeving en Economie. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. In verband daarmee hebben gesprekken plaatsgehad. Het college heeft bij besluit van 31 maart 2009 aan appellant meegedeeld dat de benoeming van appellant in voornoemde functie evenals de waardering van die functie gehandhaafd wordt. Tegen dat laatste heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.4. Bij het bestreden besluit van 12 november 2009 is het bezwaar van appellant tegen de functiewaardering ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant zich beperkt tot de waardering van het item functionele vorming. Appellant heeft gesteld dat aan dit item 4 punten moeten worden toegekend. Appellant heeft daarvoor verwezen naar de waardering van de voormalige functie afdelingshoofd Ruimte nu die functie volledig zou zijn opgegaan in de functie van appellant.

3.2. De rechtbank, die ter zake een juiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd, heeft geoordeeld dat het college het item functionele vorming in redelijkheid heeft kunnen waarderen met 3 punten. De Raad sluit zich aan bij dit oordeel. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat een vergelijking met de voormalige functie afdelingshoofd Ruimte niet opgaat, nu die functie in de nieuwe organisatie niet meer voorkomt. Bovendien heeft de reorganisatie een andere opzet van de organisatie en verdeling van taken meegebracht. Uit de toelichting van het college blijkt dat, anders dan voorheen, de afdelingshoofden nu op hoofdlijnen grotere organisatorische eenheden aansturen, waarbij teamleiders inhoudelijk en werkgericht leidinggeven. Het accent in de functie van afdelingshoofd ligt op het sturen van processen en niet op inhoud. Van de afdelingshoofden wordt dan ook minder inhoudelijke kennis van het beleidsterrein verwacht. Dit betekent dat niet gezegd kan worden dat de waardering van de functie afdelingshoofd Ruimte en Economie op het item functionele vorming op onvoldoende gronden berust. Hetgeen appellant daartoe overigens heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en B.J. van de Griend en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B. Bekkers.

HD