Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8320

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
08-4831 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering. Gelet op de bijzondere complexiteit van de bij appellant aanwezige problematiek zoals deze naar voren komt uit de beschikbare medische gegevens en in het bijzonder de conclusies van de door de Raad geraadpleegde psychiater, is het zonder meer onwaarschijnlijk dat appellant in staat kon worden geacht met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen,…… gewoonlijk verdienen. Appellant dient dan ook te worden beschouwd als jonggehandicapte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4831 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 juli 2009, 06/2046 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R. Bentum, juridisch adviseur te Nijeveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 24 februari 2009 en 26 april 2009 heeft appellant stukken over een andere procedure van appellant ingediend.

Bij faxbericht van 30 september 2009 heeft appellant een (intake)verslag van dr. C.E.J. Ketelaars (kinder)psychiater en J.G. Waalkes, gz-psycholoog, beiden verbonden aan Jonk Lentis te Groningen, van 24 september 2009 aan de Raad gezonden.

Het Uwv heeft daarop gereageerd door middel van indiening van een rapport van bezwaarverzekeringsarts A. Colijn van 19 oktober 2009.

Bij brieven van 20 december 2009 en 19 februari 2010 heeft appellant nadere stukken in het geding gebracht, waaronder een verslag van Ketelaars en Waalkes van 2 november 2009.

Desverzocht heeft psychiater A.W.M.M. Stevens, die eerder op verzoek van de rechtbank over appellant heeft gerapporteerd, bij schrijven van 22 maart 2010 gereageerd op de hiervoor genoemde verslagen van Jonk Lentis en de bezwaarverzekeringsarts.

Bij brieven van 14 en 22 april 2010 heeft appellant een verklaring van Ketelars en Waalkes van 13 april 2010 en informatie van D. Grob, pedagoog bij Forint Lentis, van 19 april 2010 toegezonden.

De Raad heeft prof. dr. R.A. Schoevers, psychiater, als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 23 december 2010 een schriftelijk verslag van 28 oktober 2010 aan de Raad uitgebracht.

Bij brief van 19 januari 2011, onder bijvoeging van rapporten van bezwaarverzekeringsarts Colijn van 17 januari 2011 en van bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman van 18 januari 2011, heeft het Uwv op het verslag van Schoevers gereageerd.

Appellant heeft op 21 januari 2011 zijn reactie op het rapport van Schoevers ingediend.

Bij brief van 22 februari 2011 heeft de Raad aan Schoevers een nadere vraag gesteld, waarop door deze bij faxbericht van 29 april 2011, bij de Raad binnengekomen op 2 mei 2011, is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2011.

Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde, Bentum, en J. van Asperen,

re-integratieadviseur als medegemachtigde. Tevens waren de ouders van appellant aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. ten Brinke.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jongeren (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

1.2. Op 18 juli 2005 heeft het Uwv van appellant, geboren op [datum]1981, een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wajong ontvangen. In verband daarmee is appellant door verzekeringsarts P.A. Sintnicolaas onderzocht. Deze arts heeft op 17/24 oktober 2005 een rapport uitgebracht waarin hij tot de conclusie is gekomen dat appellant, gelet op zijn astma en eczeem is aangewezen op passende werkzaamheden. Op grond van de bevindingen van de verzekeringsarts heeft de arbeidsdeskundige C.G.M. Reimert in een rapport van 7 februari 2006 geconcludeerd dat appellant met zijn beperkingen, neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 24 oktober 2005, geschikt is om bepaalde functies te vervullen. Op basis van een aantal voorbeeldfuncties heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd betekend op minder dan 25%. Bij besluit van 8 februari 2006 heeft het Uwv geweigerd om appellant de gevraagde Wajong-uitkering toe te kennen, op de grond dat appellant op en na [datum]1999 (de dag van zijn 18de verjaardag) minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

1.3. In bezwaar heeft appellant - samengevat - naar voren gebracht dat de verzekeringsarts de ernst van zijn beperkingen heeft onderschat. Ter onderbouwing van zijn bezwaar heeft hij gewezen op een verslag, gedateerd 27 mei 2006, van zijn werkzaamheden bij het bedrijf van zijn ouders en een verwijzing naar het Universitair Medisch Centrum Groningen vanwege een verdenking van ADD/ADHD-problematiek. In zijn rapport van 20 juni 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke geconcludeerd dat er geen argumenten zijn om af te wijken van het primaire verzekeringsgeneeskundige oordeel. In de FML van 24 oktober 2005 is ruim voldoende rekening gehouden met de beperkingen ten aanzien van appellants astma en eczeem. Het enkele feit van de doorverwijzing voor onderzoek naar ADD/ADHD-problematiek is geen enkele reden om meer beperkingen aan te nemen. Evenmin is er aanleiding om in de FML een urenbeperking op te nemen, zelfs indien deze problematiek bij appellant vastgesteld zou worden, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 8 augustus 2006 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.1. In beroep heeft appellant de juistheid van het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd, waarna de rechtbank psychiater Stevens als deskundige heeft benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze deskundige heeft samen met H.A.M. Sijm, psychiater in opleiding, op 28 september 2007 over appellant gerapporteerd. In dit rapport komt Stevens tot de conclusie dat bij appellant sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Er zijn kenmerken van de antisociale persoonlijkheidsstoornis, zoals het tijdens een woedeaanval aanrichten van vernielingen, stelen, liegen, vechtpartijen en agressie naar anderen. Narcistische trekken blijken bij appellant uit een overdreven gevoel van eigen belangrijkheid en eigen prestaties, een gebrek aan empathie en het hebben van onredelijke verwachtingen van anderen. Tevens zou er sprake zijn geweest van recidiverende depressies en angst. Verder is appellant al jarenlang bekend met gedragsproblemen, waarbij hij er soms niet in slaagt zijn impulsen adequaat te beheersen. Appellant ondervindt eveneens al jarenlang problemen in het omgaan met anderen, zoals leraren en medescholieren. Hij heeft moeite met autoriteiten wat tot conflicten, zowel met zijn werkgever als met zijn collega’s, kan leiden. Stevens achtte het zinvol een neuropsychologisch onderzoek te laten verrichten. Vervolgens is op verzoek van de rechtbank door klinisch psycholoog/neuropsycholoog dr. M.S.E. van Hout dossieronderzoek verricht. In haar rapport van 11 februari 2008 sluit zij zich aan bij het oordeel van psychiater A.M.D.N. van Lammeren in zijn rapport van 12 oktober 2006 en Van Stevens in haar hiervoor genoemde rapport van 28 september 2007, waarin wordt gesproken van een beperkte psychische belastbaarheid.

2.2. In reactie op de in beroep over appellant uitgebrachte rapporten heeft bezwaarverzekeringsarts Colijn in een rapport van 5 maart 2008 geconcludeerd dat het aannemelijk is geworden dat bij appellant sprake is van een psychische stoornis. Daarnaast is het aannemelijk, aldus Colijn, dat hoewel de ernst niet meer goed is vast te stellen, deze in de betreffende periode toch zodanig is dat er aanleiding is om psychische beperkingen aan te nemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in een FML van 5 maart 2008 appellant sterkt beperkt geacht ten aanzien van het omgaan met conflicten en beperkt ten aanzien van samenwerken met anderen. Uitgaande van de aldus aangepaste FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman in een rapport van 12 maart 2008 geconcludeerd dat de eerder geduide functies passend zijn te achten. Op beide rapporten is door appellant gereageerd.

2.3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover geen rekening is gehouden met beperkingen op omgaan met conflicten en samenwerken en voor zover gebruik is gemaakt van het CBBS. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Ten slotte heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

2.4. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de gewijzigde FML van 5 maart 2008 voor onjuist te houden, nu daarin voldoende rekening is gehouden met de uitkomst van de deskundigenrapporten. Naar het oordeel van de rechtbank zou appellant - met inachtneming van door het Uwv in beroep vastgestelde beperkingen, zoals neergelegd in die FML - op[datum] 1999 werkzaam kunnen zijn in het vrije beroep. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv aanvankelijk - ten onrechte - het CBBS heeft geraadpleegd. In beroep is alsnog gebruik gemaakt van het FIS en, zo heeft de rechtbank geoordeeld, niet gebleken is dat appellant op [datum] 1999 niet in staat was te achten om binnen de voor hem vastgestelde beperkingen vallende werkzaamheden te verrichten.

3.1. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak bestreden voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten.

3.2. In zijn op verzoek van de Raad uitgebrachte rapport van 28 oktober 2010 heeft de deskundige Schoevers de volgende conclusie geformuleerd:

“Betrokkene is een 29 jarige man die in het verleden werd gediagnosticeerd met onder meer een gedragsstoornis, een persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven (NAO) met antisociale en narcistische trekken, een aandachtstekort/hyperactiviteitstoornis (ADHD) en een lichte vorm van pervasieve ontwikkelingsstoornis, niet anders omschreven (PDD-NOS).

(…)

Er is bij betrokkene sinds de vroege jeugd sprake van gedragsproblemen, een verstoorde agressie- en impulsregulatie, een sterk egocentrisme en een lage frustratietolerantie. Tevens is er sinds de vroege jeugd sprake van aandachts-, concentratie- en impulsiviteitsproblemen. Betrokkene had op school moeite met stilzitten, moeite met zelfstandig werken en het afmaken van taken. Op de lagere school en gedurende zijn vervolgopleidingen waren er leerproblemen en vertoonde betrokkene agressief gedrag, zowel verbaal als fysiek, naar medeleerlingen en leraren.

Het lukt betrokkene niet om goed te plannen, zijn aandacht bij een taak te houden en zich flexibel op te stellen wanneer hij bezig is met een taak. Zodra de taak anders loopt dan dat hij had gepland kan hij angstig of boos worden met als gevolg dat het hem niet lukt om de taak af te maken. Betrokkene heeft een lage frustratietolerantie en kan zijn frustratie moeilijk kanaliseren. Wanneer het hem niet is gelukt om de taak af te krijgen, heeft hij de neiging tot destructief acting out gedrag of gaat hij zich afzonderen. Betrokkene kan ook depressieve klachten ontwikkelen wanneer het hem niet lukt om een taak af te krijgen. Sinds ongeveer zijn 16e levensjaar heeft betrokkene diverse depressieve periodes gehad welke enkele weken tot enkele maanden konden duren.

Er is bij betrokkene sprake van antisociaal gedrag zich uitend in onwettig gedrag, herhaaldelijk liegen en regelmatig fysiek en/of verbaal geweld. De agressie lijkt met name reactief te zijn en voort te komen uit impulsiviteit en een lage frustratietolerantie. Er is echter ook sprake instrumenteel en meer berekenend antisociaal gedrag zoals blijkt uit het herhaaldelijk bestelen van zijn ouders, diefstal e.d.Er is bij betrokkene sprake van chronisch disfunctioneren op diverse levensgebieden. Betrokkene is vastgelopen op diverse vervolgopleidingen en het is hem niet gelukt om een baan te behouden. Betrokkene woont nog bij zijn ouders. (…) Betrokkene heeft weinig sociale contacten. Bij de diagnostische interpretatie van deze gegevens moeten een aantal overwegingen worden meegenomen. Patiënten met PDD-NOS vertonen een beperking in de ontwikkeling van wederkerige sociale interacties. Gesteld zou kunnen worden dat patiënt hieraan voldoet. Een aantal andere aspecten past echter minder goed binnen deze diagnose. Gebrek aan empathie, egocentrisme, agressie en de beschreven lacunes in de gewetensfunctie passen heel goed bij de antisociale persoonlijkheidsstoornis. De klachten van betrokkene zouden derhalve te classificeren zijn als een milde vorm van PDD-NOS, dit is in het verleden ook gebeurd, maar passen in onze ogen beter binnen de antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarbij is er sprake van al sinds de vroege jeugd bestaande aandacht- en concentratieproblemen en hyperactiviteit wat blijkt uit de anamnese, heteroanamnese en lagere schoolrapporten. Deze combinatie van klachten is kenmerkend voor de diagnose ADHD. Een dergelijke overlapt in de volwassenheid in een deel van de gevallen met de antisociale persoonlijkheidsstoornis. Zowel patiënten met een (weinig gestructureerde) antisociale persoonlijkheidsstoornis als patiënten met ADHD handelen vaak impulsief en maken geen plannen voor de toekomst. Opgemerkt moet worden dat betrokkene aanmerkelijke hinder ondervindt van zijn gebrekkige impulsregulatie en frustratietolerantie en dat hij op grond van de beschreven klachten beperkt wordt in zijn functioneren. Concluderend voldoet betrokkene zowel aan de criteria van een antisociale persoonlijkheiddsstoornis als aan de criteria van een aandachtstekort/hyperactiviteitstoornis (ADHD), overwegend onoplettend type. De eerder beschreven gedragsstoornis, alsmede de antisociale en narcistische trekken sluiten hier geheel bij aan."

3.3. Op de vraag of de belastbaarheid van appellant moet worden bijgesteld heeft Schoevers als volgt geantwoord:

“Betrokkene heeft bij het uitvoeren van taken moeite om zijn aandacht bij een taak vast te houden, hij wordt snel afgeleid. Hij heeft moeite met het plannen van taken en het lukt hem niet om zich flexibel op te stellen bij het uitvoeren van een taak. Wanneer een taak anders loopt dan verwacht dan kan hij angstig of boos worden en maakt hij de taak niet af. Betrokkene heeft een lage frustratietolerantie en kan vervolgens destructief acting out gedrag vertonen. Betrokkene heeft moeite met het houden van overzicht. Passend werk zal dus zonder veelvuldige deadlines of productiepieken moeten zijn.”

3.4. In zijn rapport van 17 januari 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts Colijn aangegeven dat hij zich kan vinden in de uitkomst van de expertise en de aanvullende beperkingen. Het FIS is door hem echter niet aangepast, omdat de door de Schoevers genoemde punten als zodanig niet expliciet daarin worden benoemd, behalve het item over deadlines en productiepieken, maar dit was al beperkt. Volgens Colijn kunnen de overige beperkingen beter stuk voor stuk met de bezwaararbeidsdeskundige worden besproken.

3.5. Vervolgens is de bezwaararbeidsdeskundige Westerman in zijn rapport van 18 januari 2011 tot de conclusie gekomen dat een tweetal functies alsnog dient te worden verworpen, maar dat de drie resterende functies voor appellant passend moeten worden geacht en dat een en ander niet leidt tot een andere uitkomst van de beoordeling.

3.6. In een aanvullend verslag van 29 april 2011 heeft Schoevers nogmaals benadrukt dat hij niet wil treden in een oordeel over de geschiktheid van appellant voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de over appellant in de loop der jaren opgemaakte medische rapporten en verslagen, waarvan met name het rapport van de door de Raad benoemde deskundige Schoevers, komt naar voren dat bij appellant van jongs af aan sprake is van een complex geheel van ernstige beperkingen en problemen, een en ander zoals nader weergegeven in overweging 3.2. Appellant lijdt aan een milde vorm van PDD-NOS. Daarbij voldoet hij zowel aan de criteria van een antisociale persoonlijkheidsstoornis als aan die van een aandachtstekort/hyperactiviteitsstoornis (ADHD), overwegend onoplettend type.

4.2. Gelet op de bijzondere complexiteit van de bij appellant aanwezige problematiek, zoals deze naar voren komt uit de beschikbare medische gegevens en in het bijzonder de conclusies van de deskundige Schroevers, en voorts in aanmerking genomen de ter zitting van de Raad door de moeder van appellant afgelegde verklaring over het verloop van het leven van haar zoon tot nu toe en met name ook over de problematische arbeidservaringen van appellant in de praktijk van de beschutte omgeving van het kleine familiebedrijf van de ouders van appellant, acht de Raad het zonder meer onwaarschijnlijk dat appellant op de datum in geding (18 januari 1999) in staat kon worden geacht met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Dit wordt nog eens onderstreept doordat de Raad in het bijzonder niet overtuigd is geraakt van de in 3.5 vermelde nadere motivering van de medische geschiktheid van de resterende functies, juist ook vanwege (het samenstel van) de beperkingen, zoals bedoeld door Schoevers en vermeld in overweging 3.3, welke beperkingen volgens Colijn niet in het FIS kunnen worden verwerkt en afzonderlijk moeten worden gewogen. Appellant dient dan ook te worden beschouwd als jonggehandicapte in de zin van de artikelen 2 en 5 van de Wajong.

4.3. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak dienen te worden vernietigd, behoudens voor zover daarbij in die uitspraak is beslist over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. Met de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het bestreden besluit dient de Raad aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt hij voorop dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

4.4. In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor herstel door het betrokken bestuursorgaan. Het Uwv zal dan ook een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen, met inachtneming van deze uitspraak van de Raad. Bij de voorbereiding van dat nieuwe besluit op bezwaar zal het Uwv zich tevens, gelet op het bepaalde in artikel 29 van de Wajong, moeten uitspreken over de ingangsdatum van de Wajong-uitkering.

4.5. Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (indiening beroepschrift, tweemaal reactie na verslag deskundige, verschijnen ter zitting) en op € 33,-- aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 999,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin omtrent de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in beroep is beslist;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 999,--, te betalen door het Uwv;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) G.J. van Gendt.

JL