Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8315

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
09-6396 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand van 50% gedurende een maand, verder uitgesplitst naar een verlaging van 25% per maand gedurende twee maanden. Appellant is de verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening onvoldoende nagekomen. Het Dagelijks bestuur was gehouden een maatregel op te leggen. Geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging van appellant, de mate waarin hem die gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert het Dagelijks bestuur aanleiding had moeten geven om de verlaging van de bijstand te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6396 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2009, 08/5209 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn (hierna: Dagelijks bestuur), als rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Uithoorn

Datum uitspraak: 13 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het Dagelijks bestuur sinds 1 mei 2009 de taken en bevoegdheden uit in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) die voorheen door het College van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aalsmeer respectievelijk Uithoorn werden uitgeoefend. Hierna zal het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Uithoorn telkens met Dagelijks bestuur worden aangeduid.

Namens appellant heeft mr. B. Leenders, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 23 september 2011 heeft mr. B.B.A. Willering de Raad bericht dat hij in deze zaak de opvolgend gemachtigde is van kantoorgenoot Leenders.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Namens appellanten is niemand verschenen. Het Dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door P.T.T. Verweij, werkzaam bij het samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1 oktober 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Appellant heeft in het kader van de WWB op 30 januari 2008 een trajectplan ondertekend om deel te nemen aan een inburgeringsvoorziening. Deze voorziening bestaat uit Nederlandse taallessen en kennis van de Nederlandse samenleving, inclusief een re-integratietraject. In het trajectplan zijn rechten en verplichtingen opgenomen en appellant heeft dat plan voor akkoord getekend.

1.3. Uit informatie van het Bureau opvang nieuwkomers is gebleken dat appellant, ondanks meerdere gesprekken en (schriftelijke) waarschuwingen zeer onregelmatig naar school gaat en zich niet afmeldt als hij niet komt. Nu appellant naar de mening van het Dagelijks bestuur niet in voldoende mate gebruik maakt van de door het Dagelijks bestuur aangeboden voorziening en hij daardoor een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, heeft het Dagelijks bestuur hem bij besluit van 30 juli 2008 een maatregel opgelegd, bestaande uit een verlaging van de bijstand vanaf 1 augustus 2008 van 50% gedurende een maand, verder uitgesplitst naar een verlaging van 25% per maand gedurende twee maanden.

1.4. Bij besluit van 18 november 2008 heeft het Dagelijks bestuur het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij stelt hij zich op het standpunt dat hij wel naar school is gegaan, waarbij hij pas later, toen hij een functie kreeg bij een schoonmaakbedrijf, zijn schooltijden heeft aangepast aan zijn werk, aangezien hij werk belangrijker vond dan school. Daarnaast is hij van mening dat de maatregel niet in verhouding staat tot de vermeende onjuiste gedraging. Hij verzoekt dan ook om de maatregel te matigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat de feiten, zoals appellant die presenteert in het hoger beroepschrift, geen steun vinden in de gedingstukken. Daaruit maakt de Raad op dat appellant sinds 18 mei 2008 niet meer voor het schoonmaakbedrijf werkt, terwijl het gerapporteerde schoolverzuim betrekking heeft op de weken 23 tot en met 26 van het jaar 2008, derhalve op de maand juni 2008. De Raad heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de data waarop appellant absent is gemeld.

4.2. Van het schoolverzuim kan niet worden gezegd dat daaraan elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarbij tekent de Raad aan dat appellant bij het trajectplan is gewezen op de daaraan verbonden verplichtingen. Tevens is hem gewezen op de verzuimregeling, waarin wordt aangegeven wat de gevolgen zijn bij het niet nakomen van de verplichtingen. Daarnaast is appellant er bij brief van 11 juni 2008 nogmaals op gewezen dat hij zich moest houden aan de gemaakte afspraken. Uit de presentiegegevens is naar voren gekomen dat appellant in de onder 4.1 genoemde weken desondanks nagenoeg voortdurend zonder bericht afwezig is geweest. De Raad is dan ook met het Dagelijks bestuur van oordeel dat het appellant aldus de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening onvoldoende is nagekomen.

4.3. Hieruit vloeit voort dat het Dagelijks bestuur ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was een maatregel op te leggen. Ingevolge artikel 6, aanhef en onder 3, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand Gemeente Uithoorn 2007 (hierna: Afstemmingsverordening) is het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling gekwalificeerd als een gedraging van de derde categorie, die ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Afstemmingsverordening leidt tot een verlaging van de bijstand met 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

4.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging van appellant, de mate waarin hem die gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert het Dagelijks bestuur aanleiding had moeten geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening de verlaging van de bijstand te matigen.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.J.M. Heijs en

E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

HD