Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8300

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
10-3284 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80% of meer en is naderhand vastgesteld op 38%.De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering blijft ongewijzigd. De door de Raad benoemde deskundige wordt gevolgd. De deskundige acht aannemelijk dat appellante op de datum in geding, 23 september 2008 leed aan depressieve klachten en paniekaanvallen en hierdoor beperkingen ondervond zoals aangegeven op de FML van 1 juli 2009. Hierbij heeft de deskundige wel de kanttekening geplaatst dat hij de situatie ten tijde van zijn onderzoek op 14 april 2011 minder ernstig acht dan destijds door psychiater Groenendijk is vastgesteld bij haar onderzoek van appellante op 9 juni 2009: hij stelt vast dat er ten tijde van zijn onderzoek sprake is van licht depressieve klachten, depressie in remissie, en geringe angstklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3284 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 april 2010, 09/6304 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Hoekman, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft prof.dr. E. Hoencamp, psychiater, als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft appellante op 14 april 2011 onderzocht en een schriftelijk verslag van het verrichte psychiatrisch onderzoek, gedateerd juni 2011, aan de Raad uitgebracht.

Zowel het Uwv als appellante heeft schriftelijk op het verslag van Hoencamp gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L. van den Buijs, kantoorgenote van mr. Hoekman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1 Aan appellante is met ingang van 22 augustus 2007 een loongerelateerde

WGA-uitkering toegekend op grond van artikel 54 van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

1.2. Bij besluit van 23 september 2008 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 38% maar dat de hoogte van haar loongerelateerde WGA-uitkering hierdoor niet wijzigt. Bij besluit op bezwaar van 24 juli 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het voornoemde besluit ongegrond verklaard.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 24 juli 2009 ongegrond verklaard. Zij heeft hiertoe overwogen dat de door appellante opgeworpen grond dat de informatie van de door het Uwv ingeschakelde psychiater mr.drs. J.Groenendijk onvoldoende is betrokken in de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts niet slaagt, nu door appellante niet is aangegeven welke beperkingen ten onrechte niet zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De enkele, niet nader onderbouwde stelling van de behandelende zenuwarts G.W. de Graaff in zijn brief van 21 maart 2010 dat appellante niet geschikt is loonvormende arbeid te verrichten geeft de rechtbank geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de mate van arbeidsongeschiktheid door de bezwaararbeidsdeskundige terecht is vastgesteld op 37%.

2. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij het niet eens is met de door het Uwv aangenomen beperkingen. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de door Groenendijk vastgestelde klachten van oorsuizen, met haar moeite om in een drukke werkomgeving te functioneren en emotioneel belastende situaties te hanteren, zoals contact met agressieve en onredelijke mensen, met haar beperkingen ten aanzien van persoonlijk risico in verband met duizeligheidsklachten en met het gebruik van lorazepam. Voorts heeft zij aangevoerd dat door de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende is ingegaan op de informatie van haar behandelend zenuwarts De Graaff, die heeft aangegeven dat zij niet in staat is om loonvormende arbeid te verrichten. Ten aanzien van het door psychiater Hoencamp verrichte onderzoek heeft appellante uitgebreid verwoord dat zij dit onderzoek als onprettig heeft ervaren en zich niet kan verenigen met de inhoud van het rapport en de door Hoencamp getrokken conclusies. Ten aanzien van de voorgehouden functies heeft zij aangevoerd dat deze niet geschikt zijn in verband met de te volgen interne opleiding, de belasting ten aanzien van het handelingstempo, voorkomende deadlines en klachtencontact. Voorts zouden deze produktiefuncties teveel druk leggen op appellante, gelet op de door Groenendijk vastgestelde beperkingen ten aanzien van werken in een drukke omgeving, verdelen van de aandacht en beperkingen in verband met haar duizeligheidsklachten.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De medische grondslag van het besluit van 23 september 2008 wordt gevormd door de rapportages van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft een nieuwe FML opgesteld, gedateerd 1 juli 2009, waarbij hij rekening heeft gehouden met de resultaten van het expertise-rapport van 24 juni 2009 van de door hem geconsulteerde psychiater Groenendijk, die beperkingen heeft vastgesteld op basis van de diagnoses van ernstige depressie, paniekstoornis met agorafobie, PTSS deels in remissie. De bezwaarverzekeringsarts heeft beperkingen opgenomen in de FML ten aanzien van concentreren en verdelen van de aandacht en bepaald dat een vaste werkwijze en voorspelbare werksituatie noodzakelijk is, waarbij geen sprake is van storingen/onderbrekingen, deadlines of een hoog handelingstempo. De door de Raad ingeschakelde deskundige Hoencamp heeft bij verslag van juni 2011 aangegeven dat hij aannemelijk acht dat appellante op de datum in geding, 23 september 2008 leed aan depressieve klachten en paniekaanvallen en hierdoor beperkingen ondervond zoals aangegeven op de FML van 1 juli 2009. Hierbij heeft Hoencamp wel de kanttekening geplaatst dat hij de situatie ten tijde van zijn onderzoek op 14 april 2011 minder ernstig acht dan destijds door psychiater Groenendijk is vastgesteld bij haar onderzoek van appellante op 9 juni 2009: hij stelt vast dat er ten tijde van zijn onderzoek sprake is van licht depressieve klachten, depressie in remissie, en geringe angstklachten.

3.2. Wat betreft de medische grondslag van het besluit van 23 september 2008 kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan het op zijn verzoek door Hoencamp in juni 2011 omtrent appellante uitgebrachte rapport. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek van appellante, op de in het dossier aanwezige op haar betrekking hebbende stukken alsmede op de door appellante tijdens het onderzoek aan de deskundige overhandigde informatie van haar behandelend zenuwarts De Graaff. De Raad is van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek zorgvuldig is geweest. Bovendien heeft appellante in hoger beroep geen nadere, van (behandelende) artsen afkomstige, medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op de medische situatie van appellante op de datum in geding. De door haar ingezonden brieven van haar behandelend zenuwarts De Graaff, alle strekkend tot het standpunt dat appellante op de datum in geding geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid had, doen hieraan naar het oordeel van de Raad niet af, nu dit standpunt van De Graaff een afdoende medische onderbouwing ontbeert.

3.3. Ten aanzien van de voorgehouden functies van produktiemedewerker textiel, archiefmedewerker en produktiemedewerker industrie heeft Hoencamp geconcludeerd dat appellante, ondanks haar psychische beperkingen, in staat is om deze functies uit te oefenen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot twijfel aan de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige ten aanzien van de belasting in deze functies inzake persoonlijk en sociaal functioneren, zoals neergelegd in de rapportages van 22 september 2009 en 3 november 2010. Ten aanzien van de fysieke belasting in de voorgehouden functies acht de Raad de voorkomende signaleringen afdoende toegelicht door de bezwaararbeidsdeskundige. De Raad is ten slotte van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige zich terecht heeft gesteld op het standpunt dat appellante in staat moet worden geacht een interne praktijkopleiding op vmbo-niveau te volgen.

3.4. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet.

3.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en D.J. van der Vos als leden in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) G.J. van Gendt.

NW