Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
09/4796 WWB + 09/6033 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstand. De resultaten van het onderzoek bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het College dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de tijdens haar twee afzonderlijk aanvragen opgegeven adressen, haar feitelijke woonadressen waren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:1
Algemene wet bestuursrecht 4:13
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4796 WWB

09/6033 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 17 augustus 2009, 09/23 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 28 september 2009, 09/414 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer(hierna: College)

Datum uitspraak: 13 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 en zijn kantoorgenoot mr. R. van Asperen tegen aangevallen uitspraak 2.

Het College heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Asperen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer.

II. OVERWEGINGEN

1.De Raad verwijst voor de toepasselijke wetgeving naar aangevallen uitspraak 1 en gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

09/4796 WWB (aangevallen uitspraak 1)

1.1. Op 8 juli 2008 heeft appellante zich gemeld bij de Centrale organisatie voor werk en inkomen (hierna: CWI) te Hoogezand om algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Op 29 juli 2008 heeft een intakegesprek plaatsgevonden. Appellante heeft zich op 29 september 2008 opnieuw bij de CWI gemeld, waarna zij op 2 oktober 2008 een aanvraag om bijstand met ingang van 8 juli 2008 heeft ingediend.

1.2. Op 14 oktober 2008 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat op 8 juli 2008 een aanvraag om bijstand is ingediend en dat de wettelijke beslistermijn van acht weken is verstreken.

1.3.Tijdens het intakegesprek van 29 september 2008 heeft appellante verteld “overal en nergens” te wonen sinds zij en haar ex-partner uit zijn woning zijn gezet. Op het aanvraagformulier van 2 oktober 2008 heeft appellante aangegeven te wonen bij een echtpaar op het adres [adres 1].

1.4. Ter beoordeling van het recht op bijstand heeft de Afdeling Werk en Inkomen een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader is onder meer een tweetal huisbezoeken afgelegd aan de [adres 1] en is de hoofdbewoonster [V.] gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 22 oktober 2008.

1.5. De resultaten van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 23 oktober 2008 de aanvraag om bijstand af te wijzen.

1.6. Bij besluit van 15 december 2008 heeft het College het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake is van niet tijdig beslissen. Verder is het bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2008 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante, anders dan zij heeft opgegeven, niet haar hoofdverblijf heeft (gehad) aan de [adres 1] en dat evenmin aannemelijk is geworden dat zij feitelijk in de gemeente Hoogezand-Sappemeer verbleef.

1.7. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 december 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat het College terecht het bezwaar tegen het niet nemen van een besluit op de aanvraag van 8 juli 2008 niet-ontvankelijk heeft verklaard aangezien de aanvraag eerst op 2 oktober 2008 is ingediend en dat uit het verrichte onderzoek genoegzaam naar voren is gekomen dat appellante niet haar hoofdverblijf had op het adres [adres 1].

09/6033 WWB (aangevallen uitspraak 2)

1.8. Appellante heeft op 5 december 2008 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 6 januari 2009 heeft het College daarop afwijzend beslist. Bij besluit van 6 april 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 december 2008 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante niet woonachtig is op het door haar opgegeven adres [adres 2].

1.9. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 april 2009 ongegrond verklaard.

2. In de hoger beroepen heeft appellante aangevoerd, samengevat, dat zij op 8 juli 2008 wel degelijk een aanvraag om bijstand heeft ingediend, zodat het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op die aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, dat het onderzoek naar haar woonsituatie niet deugt en dat moet worden aangenomen dat zij wel op de opgegeven adressen woonachtig was.

3.De Raad komt tot de volgende beoordeling.

09/4796 WWB (aangevallen uitspraak 1)

3.1. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante zich op 8 juli 2008 heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand en dat zij op 29 juli 2008 een intakegesprek heeft gehad met een casemanager van de Unit werk en inkomen van de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Gerapporteerd is dat tijdens dit intakegesprek geen aanvraag is ingediend omdat appellante nog moest bekijken of zij kon aantonen dat haar hoofdverblijf was op het opgegeven adres. Tevens is gerapporteerd dat de afspraak is gemaakt dat appellante op 4 augustus 2008 met de casemanager contact zou opnemen en dat op en na die datum niets van appellante is vernomen. De Raad kan in het midden laten of appellante de afspraak niet is nagekomen of dat appellante, zoals zij stelt, in afwachting was van een telefoontje van de casemanager, omdat er, om welke reden dan ook, geen aanvraag tot stand is gekomen. Eerst tijdens een gesprek op 2 oktober 2008 heeft appellante de daartoe stekkende formulieren ingeleverd en is de aanvraag ingediend. Aangezien ten tijde van het bezwaarschrift van 14 oktober 2008 de termijn om op de aanvraag van 2 oktober 2008 te beslissen nog niet was verstreken, heeft het College het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. De vraag waar iemand voor de toepassing van de WWB zijn woonadres heeft dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Aan de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie komt daarbij, eveneens naar vaste rechtspraak, geen doorslaggevende betekenis toe. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige inlichtingen over zijn woonsituatie te verstrekken, omdat dit gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

3.3.De Raad stelt voorop dat appellante ten tijde hier van belang in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op het adres [adres 1] en dat appellante bij haar aanvraag om bijstand dat adres als woonadres heeft opgegeven.

3.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de resultaten van het onderzoek een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het opgegeven adres haar feitelijke woonadres is. Appellante heeft zowel tijdens het intakegesprek op 29 juli 2008 als tijdens het huisbezoek aangegeven “overal en nergens” te wonen, waaronder blijkens het rapport van 22 oktober 2008 wordt verstaan: bij haar kinderen in Alkmaar en Hoogeveen, bij haar voormalige schoonzoon in Hoogezand, bij de bewoners van het adres [adres 1] en bij diverse andere, niet bij naam genoemde, personen. Bij het huisbezoek van 16 oktober 2008 zijn niet meer dan drie basale kledingstukken van appellante aangetroffen(een truitje, een shirtje en een broek). Hiervoor heeft appellante geen dan wel geen afdoende verklaring gegeven. Dat de andere kledingstukken bij de huisuitzetting verloren zijn gegaan, zoals appellante stelt, is niet aannemelijk nu de in de woning aangetroffen bananendozen met ingelijste foto’s en dergelijke uit de inboedel afkomstig zijn. Persoonlijke papieren werden niet aangetroffen, op een CWI-map in de handtas van appellante na. Hoofdbewoonster [V.] heeft op 17 oktober 2008 verklaard dat zij appellante na de huisuitzetting heeft willen helpen door haar een briefadres te geven en haar voor enkele dagen per week onderdak te verschaffen. Zij heeft verder gezegd geen idee te hebben waar appellante haar hoofdverblijf had. De afwijzing van deze aanvraag kan daarom standhouden.

3.5. Nu de aanvraag om bijstand terecht is afgewezen, komt de Raad niet meer toe aan de beoordeling van de vraag vanaf welk moment, bezien in het licht van de strekking van artikel 44 van de WWB, bijstand zou moeten worden toegekend.

3.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat die uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

09/6033 WWB (aangevallen uitspraak 2)

3.7. De Raad stelt voorop dat appellante ten tijde hier van belang in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op het adres [adres 2], de woning van haar voormalige schoonzoon en haar kleinkinderen, en dat appellante bij haar aanvraag om bijstand dat adres als woonadres heeft opgegeven.

3.8. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de resultaten van het onderzoek een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van de aanvraag daadwerkelijk woonachtig was op het door haar opgegeven adres. Appellante heeft op 11 december 2008 verklaard regelmatig bij haar jongste dochter in Hoogeveen te verblijven, overdag soms in Hoogezand rond te zwerven, weleens een weekend bij een zieke vriendin in Apeldoorn door te brengen en af en toe een vriendin in Hoogezand te bezoeken. Appellante heeft tevens verklaard geen sleutel van de woning aan de [adres 2] te bezitten. Slechts éénmaal in een serie van zeven waarnemingen is de auto van appellante in de omgeving van [adres 2] aangetroffen en dan nog op de datum van het huisbezoek. Tijdens het huisbezoek op 11 december 2008 is op de zolderkamer, waar appellante zei te verblijven, een volledig ingerichte jongenskamer met een kinderbed aangetroffen. Op de zolderkamer bevond zich geen kleding van appellante, op een bananendoos met dunne zomerkleding na. Dat appellante heeft verklaard spullen en kleding elders, bij een vriendin aan de [adres vriendin], te hebben liggen, vormt eerder een aanwijzing dat zij niet woonde op het opgegeven adres, dan een afdoende verklaring voor de afwezigheid van kledingstukken in de woning. Appellante heeft een afschrift van een “Tijdelijke Woon Overeenkomst” met betrekking tot het adres [adres 2] ingebracht. Reeds gezien de omstandigheid dat het onduidelijk is op welke periode de overeenkomst betrekking heeft - de overeenkomst is niet gedateerd - komt aan de overeenkomst naar het oordeel van de Raad niet die betekenis toe die appellante daaraan gehecht wil zien.

3.9. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat ook die uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en

H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M.C. Nijholt.

HD