Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8297

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
10-3375 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft afwijzend beslist op het verzoek van appellante om haar in het kader van artikel 43a WAO in aanmerking te brengen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante sedert 5 maart 2005, de datum waarop de haar eerder verleende WAO-uitkering is ingetrokken, niet gedurende vier weken toegenomen arbeidsongeschikt is geweest. Geen sprake van toegenomen medische beperkingen. Verschrijving in de te beoordelen periode door het Uwv. De omstandigheid dat appellante bij besluit van 22 februari 2008 van het Centrum voor werk en inkomen (CWI) niet in aanmerking is gebracht voor het verrichten van WSW-arbeid leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3375 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2010, 09/1898 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.J. Stapel, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2011. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Knigge.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij op bezwaar genomen besluit van 19 maart 2009 (het bestreden besluit) het besluit van 5 november 2008 heeft gehandhaafd. Daarbij is afwijzend beslist op het verzoek van appellante om haar in het kader van artikel 43a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in aanmerking te brengen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante sedert 5 maart 2005, de datum waarop de haar eerder verleende WAO-uitkering is ingetrokken, niet gedurende vier weken toegenomen arbeidsongeschikt is geweest.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij is de stelling van appellante dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onvolledig is geweest doordat hij haar niet zelf (lichamelijk) heeft onderzocht, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (LJN BA1976) verworpen. Ook overigens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen dat bij appellante geen sprake was van toegenomen medische beperkingen. Gelet hierop heeft het Uwv met juistheid besloten geen nieuwe arbeidskundige beoordeling te doen opmaken, aldus de rechtbank.

3.1. In hoger beroep heeft appellante erop gewezen dat haar medische beperkingen wel degelijk zijn toegenomen en dat zij als gevolg daarvan zelfs niet meer haar huishouden zonder hulp van anderen kan verrichten, laat staan dat zij in staat zou zijn om enig betaald werk te verrichten. Voorts heeft appellante erop gewezen dat bij haar sprake is van een toename van beperkingen als gevolg van dezelfde ziekte die ten grondslag ligt aan de eerder haar verleende WAO-uitkering.

3.2. Het Uwv heeft zich bij verweerschrift geschaard achter het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2.1. Met betrekking tot de reikwijdte van het bestreden besluit, in het bijzonder het tijdvak waarover is beoordeeld of sprake was van toegenomen medische beperkingen, overweegt de Raad dat deze, anders dan door de gemachtigde van het Uwv ter zitting is betoogd, ruim moet worden uitgelegd. In het bestreden besluit wordt expliciet verwezen naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 30 januari 2009/18 maart 2009, dat aldus dit besluit daarvan onderdeel uitmaakt. Er is ook anderszins geen nadere omschrijving van het beoordeelde tijdvak in het bestreden besluit vermeld. De Raad gaat derhalve uit van het tijdvak waarover de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts zich blijkens zijn rapportage heeft uitgestrekt.

4.2.2. De bezwaarverzekeringsarts vermeldt als beoordeeld tijdvak de periode van 3 februari 2005 tot en met 5 november 2008. Ter zitting is van de zijde van het Uwv, desgevraagd, erkend dat de datum 3 februari 2005 op een kennelijke verschrijving berust en dat daarvoor moet worden gelezen 5 maart 2005, de datum met ingang waarvan de eerder aan appellante verleende WAO-uitkering is ingetrokken. Voor zijn verdere oordeelsvorming gaat de Raad derhalve uit van het tijdvak 5 maart 2005 tot en met 5 november 2008.

4.2.3. De rechtbank heeft, zij het impliciet, de door de Raad voorgestane ruime uitleg van het bestreden besluit ook als uitgangspunt voor haar oordeelsvorming genomen, gelet op overweging 1.3 van de aangevallen uitspraak.

4.3.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. De stelling van appellante dat bij haar sprake is van toegenomen beperkingen in het hiervoor omschreven tijdvak is in hoger beroep niet onderbouwd met nieuwe daarop wijzende medische gegevens.

4.3.2. De omstandigheid dat appellante bij besluit van 22 februari 2008 van het Centrum voor werk en inkomen (CWI) niet in aanmerking is gebracht voor het verrichten van WSW-arbeid leidt de Raad niet tot een ander oordeel. In dat besluit wordt vermeld dat appellantes lichamelijke en psychische klachten tot dusdanige beperkingen leiden, dat zij niet in staat wordt geacht te werken, ook niet in WSW-verband en dat appellante ook zelf heeft aangegeven zich op dat moment te ziek te voelen om te werken of een vorm van dagbesteding te verrichten. Objectief medische gegevens waarop dit oordeel berust worden daarin niet vermeld. Voor zover aansluiting wordt gezocht bij de eigen klachtenbeleving van appellante overweegt de Raad dat die in het kader van de hier aan de orde zijnde WAO-beoordeling, zoals de Raad reeds vele malen heeft overwogen, niet maatgevend is. De Raad kan aan het besluit van het CWI derhalve niet het gewicht toekennen dat appellante daaraan gehecht wil zien.

4.4. Strikt genomen ten overvloede merkt de Raad nog op dat aan het rapport van bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink van 30 januari 2009/ 18 maart 2009 valt te ontlenen dat hij op basis van op 9 maart 2009 van de huisarts verkregen inlichtingen niet uitsluit dat er mogelijk een verslechtering van het medisch beeld heeft plaatsgevonden na 5 november 2008. Nu het bestreden besluit, zoals hiervoor overwogen, zich beperkt tot de periode van 5 maart 2005 tot en met 5 november 2008, kan hiermee in dit geding geen rekening worden gehouden.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) G.J. van Gendt.

TM