Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
09-4270 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand. Ten tijde in geding waren de prestaties en vergoedingen op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Zorgverzekeringswet voor de hier aan de orde zijnde kosten aan te merken als aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorzieningen. In deze regelgeving is een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening niet aan de orde is. Dat de huidarts appellante heeft geadviseerd de betreffende producten weer te gebruiken en de huidtherapie weer op te pakken, maakt niet dat tot vergoeding van deze kosten moet worden overgegaan. De door appellante aangevoerde omstandigheden dat zij geen geld heeft om de producten en de therapie te betalen en dat zij tevergeefs goedkopere alternatieven heeft geprobeerd, kunnen niet worden beschouwd als zeer dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4270 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 juni 2009, 09/256 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Appellante is, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Guliker, werkzaam bij de gemeente Zwolle.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Op 3 maart 2008 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van huidtherapie, gebruik van Biodermal huidproducten, Parfenac crème en vitaminepreparaten.

1.2. Bij besluit van 28 juli 2008 heeft het College besloten de kosten, zoals appellante die de afgelopen jaren ook heeft gemaakt, over de periode van 1 januari 2008 tot en met 24 juli 2008 te vergoeden en vanaf 24 juli 2008 voor de betreffende kosten geen bijzondere bijstand te verlenen op de grond dat deze kosten niet behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan.

1.3. Bij besluit van 9 januari 2009 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 28 juli 2008 herroepen in die zin dat vanaf 25 juli 2008 geen bijzondere bijstand meer wordt verstrekt voor de in het betreffende besluit genoemde kosten. Daarbij heeft het College in navolging van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 22 december 2008 overwogen dat artikel 15, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) in dit geval aan bijstandsverlening in de weg staat omdat sprake is van een voorliggende voorziening. Van zeer dringende redenen om appellante vanaf 25 juli 2008 niettemin bijstand te verlenen, is volgens het College geen sprake.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 9 januari 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit artikel 15 van de WWB volgt dat de WWB geen functie heeft indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. In het kader van de ziektekostenverzekering (het Groene Land) is geen medische noodzaak aanwezig geacht voor de producten en de therapie waarvoor appellante bijzondere bijstand vraagt. De rechtbank acht voorts het standpunt van het College dat de door appellante aangevoerde omstandigheden niet kunnen worden beschouwd als dringende redenen, niet onjuist.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van die wet niet van toepassing zijn.

4.2. Op grond van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Voorts heeft gelet op artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB, die wet geen functie indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. Indien binnen de voorliggende voorziening het gevraagde in het algemeen of in een specifieke situatie niet noodzakelijk is geacht dient daarbij voor de toepassing van de WWB te worden aangesloten.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer CRvB 13 april 2010, LJN BM2959) waren ten tijde in geding prestaties en vergoedingen op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Zorgverzekeringswet voor de hier aan de orde zijnde kosten aan te merken als aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorzieningen. Voorts gaat de Raad er met het College en de rechtbank van uit dat in deze regelgeving een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening niet aan de orde is. Ook artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB staat daarom in de weg aan toekenning van bijzondere bijstand in de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd. Dat haar huidarts appellante heeft geadviseerd de betreffende producten weer te gebruiken en de huidtherapie weer op te pakken, maakt ook naar het oordeel van de Raad niet dat tot vergoeding van deze kosten moet worden overgegaan.

4.4. Het eerste lid van artikel 16 van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, de gevraagde bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Blijkens de Memorie van Toelichting op deze bepaling dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellante aangevoerde omstandigheden dat zij geen geld heeft om de producten en de therapie te betalen en dat zij tevergeefs goedkopere alternatieven heeft geprobeerd, niet kunnen worden beschouwd als zeer dringende redenen zoals hiervoor bedoeld. Dit betekent dat het College niet de bevoegdheid toekwam om appellante bijzondere bijstand te verlenen voor de hier aan de orde zijnde kosten.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD