Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8261

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
11-1613 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blijkens de berichten studiefinanciering van 5 september 2009, die betrekking hebben op de jaren 2001 tot en met 2003 en 2006 is de prestatiebeurs over de maanden oktober 2001 tot en met augustus 2003 en de maand september 2006 omgezet in een gift. Daarbij is aangegeven hoe de te weinig ontvangen toelage aan appellant zal worden uitbetaald. Appellant heeft in beroep niet aangegeven dat deze berichten onjuist zouden zijn, zodat de inhoud van deze berichten in hoger beroep niet ter discussie staat. Ter zitting heeft de Minister aangegeven appellant nader inzicht te geven in de opbouw en hoogte van de schuld. Geen renteschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1613 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2011, 09/1713 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister)

Datum uitspraak: 9 december 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Appellant is verschenen en de Minister was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 27 mei 2009 heeft de Minister gehandhaafd zijn besluit om (slechts) 48 maanden van de prestatiebeurs van appellant om te zetten in een gift. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft de Minister bij verweerschrift van 18 augustus 2009 aangegeven dat besluit niet langer te handhaven en ook de aan appellant toegekende studiefinanciering over de maanden oktober 2001 tot en met augustus 2003 en de maand september 2006 alsnog om te zetten in een gift.

1.2. Appellant heeft hierin aanleiding gezien zijn beroep in te trekken. Hij heeft daarbij verzocht om het griffierecht en de proceskosten te vergoeden en hem een schadevergoeding toe te kennen in de vorm van rente.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de verzoeken om proceskosten- en schadevergoeding afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet gebleken is van proceskosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voorts is geen sprake van renteschade omdat ingevolge artikel 5.17 van de Wet studiefinanciering 2000 bij omzetting van een prestatiebeurs in een gift de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet gaat. Ten slotte is niet onderbouwd dat sprake is van immateriële schade.

2. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de prestatiebeurs over de maanden oktober 2001 tot en met augustus 2003 en de maand september 2006 nog steeds niet is omgezet in een gift. Er is ten onrechte geen rente vergoed. De schuld blijkt in februari 2011 ineens veel hoger dan in september 2009. Hij heeft geen enkel inzicht in de samenstelling van de schuld.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Blijkens de berichten studiefinanciering van 5 september 2009, die betrekking hebben op de jaren 2001 tot en met 2003 en 2006 is de prestatiebeurs over de maanden oktober 2001 tot en met augustus 2003 en de maand september 2006 omgezet in een gift. Daarbij is aangegeven hoe de te weinig ontvangen toelage aan appellant zal worden uitbetaald. Appellant heeft in beroep niet aangegeven dat deze berichten onjuist zouden zijn, zodat de inhoud van deze berichten in hoger beroep niet ter discussie staat.

3.2. De stelling van appellant dat de hoogte van zijn schuld niet klopt is in dit geding evenmin aan de orde. Appellant heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt en ook de rechtbank heeft hierover geen oordeel gegeven. Ter zitting heeft de Minister aangegeven appellant nader inzicht te geven in de opbouw en hoogte van de schuld.

3.3. Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat er geen redenen zijn voor schadevergoeding in de vorm van rente. De Raad wijst er – evenals de rechtbank – op dat de Minister het door appellant bij de rechtbank betaalde griffierecht dient te vergoeden.

3.4. Hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.3 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) M.D.F. Smit-de Moor.

IvR