Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8254

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
11/693 WWB + 11/694 WWB + 11/556 WWB + 11/557 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Niet nakoming inlichtingenverplichting. Juiste periode is beoordeeld. Niet kan worden vastgesteld of appellanten gedurende de hier te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden als hebben verkeerd. Bevestiging aangevallen uitspraak. Aanvraag bijstand buiten behandeling gesteld. Aan dit besluit ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de eerdere aanvraag buiten behandeling was gesteld en dat opnieuw bijstand moest worden aangevraagd. Dit uitgangspunt moet - achteraf bezien - voor onjuist worden gehouden. Vernietiging aangevallen uitspraak en bestreden besluit. Herroeping primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/693 WWB

11/694 WWB

11/556 WWB

11/557 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[G.L.] en [C.S.], wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 9 december 2010, 10/1923 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 10/1924 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 is geregistreerd onder nrs. 11/693 WWB en 11/694 WWB. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 is geregistreerd onder nrs. 11/556 WWB en 11/557 WWB.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van de Laar. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.L. Slegers, werkzaam bij de gemeente Helmond.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College heeft de bijstand van appellanten met ingang van 1 mei 2005 ingetrokken.

1.2. Zaak 11/693 en 11/694

1.2.1. Appellanten hebben zich op 3 januari 2007 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen om bijstand aan te vragen en op dezelfde datum een aanvraag om bijstand naar de norm voor gehuwden ingediend.

1.2.2. Bij brief van 9 februari 2007 heeft het College appellanten verzocht om vóór 12 maart 2007 met bewijsstukken te komen betreffende de wijze waarop in het levensonderhoud is voorzien. Appellant heeft bij brief van 5 maart 2007 op het verzoek van 9 februari 2007 gereageerd. In die brief heeft appellant onder meer verklaard dat hij en zijn gezin in hun levensonderhoud hebben voorzien door geld te lenen bij ouders, familie, vrienden en de bank.

1.2.3. Bij besluit van 13 maart 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 juli 2007, heeft het College de aanvraag van appellanten met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Bij uitspraak van 13 mei 2008, 07/2629, heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 3 juli 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 juni 2009, 08/3761 en 08/3762 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 juli 2007 vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van zijn uitspraak. De Raad heeft geoordeeld dat het College niet bevoegd was om de aanvraag van 3 januari 2007 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet te behandelen. Voorts heeft de Raad overwogen dat het College een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen waarbij inhoudelijk op de aanvraag van 3 januari 2007 wordt beslist en dat de door het College te beoordelen periode in dit geval is de periode van 3 januari 2007, de datum met ingang waarvan bijstand is aangevraagd, tot en met de datum van het nieuw te nemen besluit op bezwaar.

1.2.4. Bij brief van 5 augustus 2009 heeft het College, om het recht op bijstand vanaf 3 januari 2007 te kunnen beoordelen, appellanten verzocht om vóór 7 september 2009 onder meer de volgende gegevens te verstrekken:

- onderbouwde informatie over de wijze waarop zij vanaf 3 januari 2007 in hun levensonderhoud hebben voorzien;

- een overzicht van alle tegoeden (spaargelden, vorderingen) en schulden;

- aankoop-, verkoop- en vrijwaringsbewijzen te leveren van de auto’s die zij sinds 3 januari 2007 op hun naam hebben gehad; en

- informatie over inkomsten uit werkzaamheden in de horeca vanaf 1 juli 2008.

Appellanten hebben niet gereageerd op de brief van 5 augustus 2009.

1.2.5. Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het College ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 9 juni 2009 het besluit van 13 maart 2007 herroepen en de aanvraag om bijstand van 3 januari 2007 onder verwijzing naar artikel 17, eerste lid, en artikel 11, eerste lid, van de WWB afgewezen op de grond dat appellanten onvoldoende informatie hebben verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

1.2.6. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 21 oktober 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat, in aanmerking genomen dat aan appellanten met ingang van 19 augustus 2009 bijstand is verleend, de door de verweerder te beoordelen periode loopt van 3 januari 2007 tot

19 augustus 2009. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de door het College van appellanten bij de brieven van 9 februari 2007 en 5 augustus 2009 gevraagde en hiervoor onder 1.2.2 en 1.2.4 genoemde gegevens voor het vaststellen van het recht op bijstand noodzakelijk zijn en dat appellanten die gegevens niet of onvoldoende aan het College hebben verstrekt. De omstandigheid dat het binnen de cultuur van appellanten gebruikelijk is om zonder nadere vastlegging geld te lenen en uit te lenen komt voor rekening en risico van appellanten. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat appellanten niet over een adequate administratie beschikken betreffende de verkoop van de auto’s die op hun naam stonden en de omstandigheid dat de administratie betreffende hun horeca-activiteiten onduidelijk was. Volgens de rechtbank zijn appellanten in gebreke gebleven om aan de hand van deugdelijke verifieerbare bewijsstukken inzicht te geven in hun financiële situatie en zijn zij daarmee de in het kader van hun aanvraag om bijstand op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting in onvoldoende mate nagekomen. Als gevolg daarvan heeft het College niet kunnen vaststellen of appellanten verkeerden in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.

1.3. Zaak 11/556 en 11/557

1.3.1. Appellanten hebben op 10 juni 2009 een aanvraag om bijstand naar de norm voor gehuwden ingediend. Bij besluit van 31 juli 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 januari 2010, heeft het College de aanvraag van appellanten met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld.

1.3.2. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 4 januari 2010 ongegrond verklaard.

2. Appellanten hebben hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken ingesteld.

2.1. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 op het standpunt gesteld dat zij aan hun inlichtingenverplichting hebben voldaan. Ter zitting is aangevoerd dat het College bij het besluit van 21 oktober 2009 ten onrechte slechts de periode van 3 januari 2007 tot 8 september 2008 heeft beoordeeld.

2.2. Appellanten hebben in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 aangevoerd dat het College hen ten onrechte heeft gevraagd om gegevens en bescheiden over hun financiële situatie te verstrekken aangezien het College volledig met die situatie bekend was.

3. De Raad komt in de zaak 11/693 en 11/694 tot de volgende beoordeling.

3.1. In de onder 1.2.3 genoemde uitspraak van de Raad is overwogen dat de door het College bij zijn inhoudelijke beslissing op de aanvraag van 3 januari 2007 te beoordelen periode loopt van 3 januari 2007, de datum met ingang waarvan bijstand is aangevraagd, tot en met de datum van het nieuw te nemen besluit op bezwaar. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, in aanmerking genomen dat aan appellanten met ingang van 19 augustus 2009 bijstand naar de norm voor gehuwden is toegekend, het College in het kader van de afhandeling van de aanvraag van 3 januari 2007 nog slechts diende te beoordelen of appellanten over de periode van 3 januari 2007 tot 19 augustus 2009 recht op bijstand hadden. De Raad deelt niet het standpunt van appellanten dat het College bij het besluit van 21 oktober 2010 in feite slechts de periode van 3 januari 2007 tot 8 september 2008 heeft beoordeeld. Weliswaar heeft het College appellanten bij de onder 1.2.4 reeds genoemde brief van 5 augustus 2009 het voorstel gedaan de te beoordelen periode te beperken van 3 januari 2007 tot 8 september 2008, maar, zoals in het besluit van 21 oktober 2010 is vermeld en door appellanten niet is betwist, had dat voorstel op laatstgenoemde datum niet tot enige reactie van appellanten aanleiding gegeven.

3.2. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat appellanten de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting niet behoorlijk zijn nagekomen en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of zij gedurende de hier te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB hebben verkeerd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel berust en verwijst daarnaar. Hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd komt neer op een herhaling van hetgeen zij reeds in beroep hebben aangevoerd en leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

3.3. Hetgeen onder 3.1 en 3.2 is overwogen betekent dat het hoger beroep van appellanten tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt en dat die uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad komt in de zaak 11/556 en 11/557 tot de volgende beoordeling.

4.1. Aan het besluit van 31 juli 2009 betreffende het buiten behandeling laten van de door appellanten ingediende aanvraag van 10 juni 2009 ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de aanvraag van 3 januari 2007 buiten behandeling was gesteld en dat opnieuw bijstand moest worden aangevraagd. Gelet op hetgeen onder 3.1 tot en met 3.3 is overwogen moet dit uitgangspunt - achteraf bezien - voor onjuist worden gehouden. Dit betekent dat ook het besluit van 4 januari 2010 een deugdelijke grondslag ontbeert.

4.2. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 2 hetgeen onder 4.1 is overwogen niet onderkend, zodat die uitspraak niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 4 januari 2010 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Tevens ziet de Raad aanleiding het besluit van 31 juli 2009 te herroepen.

5. Proceskosten.

5.1. De Raad ziet in zaak 11/693 WWB en 11/694 WWB geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.2. De Raad ziet in zaak 11/556 en 11/557 aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Die kosten bedragen € 874,-- voor in beroep en € 874,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in zaak 11/693 en 11/694

Bevestigt aangevallen uitspraak 1.

in zaak 11/556 en 11/557

Vernietigt aangevallen uitspraak 2;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 4 januari 2010;

Herroept het besluit van 31 juli 2009;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.748,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en

M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) I. Mos.

HD