Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
09-3474 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen, voor ongehuwde naar gehuwde. Intrekking ANW-uitkering. Gezamenlijke huishouding? Onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf van appellanten. Geen sprake van overschrijding redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Beroepswet
Beroepswet 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/52
NJB 2012/368
ABkort 2012/11

Uitspraak

09/3474 AOW, 09/3476 AOW,

09/3477 ANW, 11/2348 AOW,

11/2352 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] en [Appellant], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2009, 08/3657, 08/3659 en 08/3660 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 29 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. den Arend-de Winter, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2011. Voor appellanten is mr. Den Arend-de Winter verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf november 1993 een nabestaandenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, vanaf juli 1996 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Appellant ontvangt vanaf juni 2005 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde. Appellante stond blijkens de gegevens in de Gemeentelijke Basisadministratie van 21 mei 1991 tot 23 mei 2006 ingeschreven op het adres [adres 1] te [gemeente] en vanaf 23 mei 2006 op het adres [adres 2] te [gemeente]. Appellant stond van 12 november 1996 tot 1 november 2007 ingeschreven op het adres [adres 3] te [gemeente], waar ook zijn zoon staat ingeschreven en woont, en vanaf 1 november 2007 op het adres [adres 2] te [gemeente].

1.2. Naar aanleiding van een schriftelijke melding van 26 september 2006, inhoudende dat appellanten samenwonen op het adres van appellante, heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de leefsituatie van appellanten. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is bij enkele instanties informatie opgevraagd, zijn diverse personen als getuigen gehoord en zijn appellanten door ambtenaren van de sociale recherche van de Svb verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal dat op 10 december 2007 is afgesloten.

1.3. In verband met het onder 1.2 bedoelde onderzoek heeft de Svb bij besluiten van 15 mei 2007 de betaling van de nabestaandenuitkering van appellante geschorst met ingang van 30 april 2007, aan appellante met ingang van augustus 2007 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW voor een gehuwde toegekend in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd op 2 augustus 2007 en de betaling van het ouderdomspensioen van appellant geschorst onder verlaging van dit pensioen met ingang van 1 december 2006 tot het pensioen voor een gehuwde.

1.4. Bij besluiten op bezwaar van 27 juli 2007 en 5 september 2007 heeft de Svb, voor zover hier van belang, de besluiten van 15 mei 2007 herroepen. Vervolgens heeft de Svb de betaling van de nabestaandenuitkering van appellante alsmede het ouderdomspensioen van appellant voor een ongehuwde hervat en aan beiden nabetalingen verricht. Met ingang van augustus 2007 is in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd van appellante haar nabestaandenuitkering beëindigd en aan haar een ouderdomspensioen voor een ongehuwde toegekend.

1.5. Bij besluit van 10 december 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 1 september 2008, heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellante met ingang van augustus 2007 herzien naar het pensioen voor een gehuwde. Bij besluit van 10 december 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 1 september 2008, heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellant met ingang van juni 2005 herzien naar het pensioen voor een gehuwde. Bij besluit van 7 april 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 1 september 2008, heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 mei 2004 ingetrokken. Aan deze herzieningen en intrekking heeft de Svb, onder verwijzing naar de onderzoeksbevindingen zoals neergelegd in het proces-verbaal van 10 december 2007, ten grondslag gelegd dat appellanten vanaf april 2004 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Svb heeft bij de besluiten van 1 september 2008 voorts de verzoeken om vergoeding van de kosten in bezwaar alsmede de verzoeken om vergoeding van schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) afgewezen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, de beroepen tegen de besluiten van 1 september 2008 gegrond verklaard voor zover deze betrekking hebben op de periode van 1 februari 2007 tot 1 november 2007, de besluiten van 1 september 2008 in zoverre vernietigd, de beroepen voor het overige ongegrond verklaard en de Svb opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van de aangevallen uitspraak.

3. Bij besluiten van 31 juli 2009 heeft de Svb uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Daarbij heeft de Svb de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en vastgesteld dat appellante over de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 juli 2007 recht heeft op nabestaandenuitkering, appellante met ingang van augustus 2007 recht heeft op ouderdomspensioen voor een ongehuwde en appellant over de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 oktober 2007 recht heeft op ouderdomspensioen voor een ongehuwde. Voorts heeft de Svb de kosten in bezwaar vergoed - ter zitting van de Raad is gebleken dat de besluiten van 31 juli 2009 aldus moeten worden gelezen dat voor elk van de bezwaren € 644,-- wordt vergoed - en de verzoeken om vergoeding van schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM afgewezen.

4. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de besluiten van 1 september 2008 niet geheel zijn vernietigd. Daarbij hebben appellanten, samengevat, het volgende aangevoerd. De besluiten van 10 december 2007 zijn in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel genomen, nu de besluiten van 15 mei 2007 onrechtmatig zijn bevonden en het proces-verbaal van 10 december 2007 geen nieuwe feiten aan het licht heeft gebracht. Voorts rechtvaardigen de onderzoeksgegevens niet de conclusie dat appellanten vanaf april 2004 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Ten slotte zijn appellanten van mening dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. In dit geval dient de tijd van de procedure inzake de besluiten van 15 mei 2007 bij de berekening van de redelijke termijn te worden betrokken dan wel de door de Raad in beginsel gehanteerde termijn van vier jaar naar beneden te worden bijgesteld.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt vast dat nu met de besluiten van 31 juli 2009 niet geheel tegemoetgekomen is aan de bezwaren van appellanten, de gedingen in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zich mede uitstrekken tot die besluiten. Voorts stelt de Raad vast dat appellante desgevraagd heeft verklaard dat het hoger beroep ten aanzien van haar ouderdomspensioen enkel nog ziet op de verkrijging van een vergoeding van schade die zij heeft geleden als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

5.2. De stelling van appellanten dat de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 10 december 2007 inzake de nabestaandenuitkering van appellante en het ouderdomspensioen van appellant in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zijn genomen, omdat de besluiten van 15 mei 2007 onrechtmatig zijn bevonden en het proces-verbaal van 10 december 2007 geen nieuwe feiten aan het licht heeft gebracht, treft geen doel. Van het opnieuw nemen van dezelfde besluiten op basis van dezelfde onderzoeksgegevens is immers geen sprake. De herroepen besluiten van 15 mei 2007 inzake de nabestaandenuitkering van appellante en het ouderdomspensioen van appellant betreffen immers schorsingsbesluiten, terwijl het bij de besluiten van 10 december 2007 gaat om respectievelijk een intrekkingsbesluit en een herzieningsbesluit, die bovendien zien op een andere periode. Hierbij komt dat de besluiten van 10 december 2007 mede zijn gebaseerd op onderzoeksgegevens, waaronder getuigenverklaringen, die ten tijde van de herroeping van de schorsingsbesluiten nog niet beschikbaar waren.

5.3. De Raad oordeelt voorts over het standpunt van appellanten dat de onderzoeksgegevens niet de conclusie rechtvaardigen dat appellanten van april 2004 tot 1 februari 2007 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

5.4. Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW en artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.5. Het besluit tot intrekking van de nabestaandenuitkering van appellante en het besluit tot herziening van het ouderdomspensioen van appellant zijn voor appellanten belastende besluiten, waarbij het aan de Svb is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en herziening is voldaan in beginsel op de Svb rust.

5.6. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

5.7. De Raad is, anders dan de rechtbank en de Svb, van oordeel dat de door de Svb aan de besluiten van 1 september 2008 ten grondslag gelegde onderzoeksgegevens onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellanten in de periode van april 2004 tot 1 februari 2007 hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

5.7.1. Appellanten hebben tijdens de diverse verhoren in de periode van 30 januari 2007 tot en met 4 mei 2007 beiden consequent verklaard dat zij ten tijde van belang goed bevriend waren, samen in de kantine van de volkstuinvereniging werkten, mede vanwege de administratie van de volkstuinvereniging overdag vaak bij appellante thuis waren, appellant op zijn eigen adres sliep en zij niet samenwoonden. De Svb heeft er in de besluiten van 1 september 2008 weliswaar terecht op gewezen dat uit de diverse getuigenverklaringen van de buurtbewoners van de [adres 1] en [adres 2] en van (oud)bestuursleden van de volkstuinvereniging naar voren komt dat zij appellanten als stel kennen, maar daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat er ten tijde van belang sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf. De Raad wijst er daarbij op dat bij het afnemen van de getuigenverklaringen op 26 en 29 januari 2007 van de buurtbewoners van het adres [adres 1] gebruik is gemaakt van formulieren waarop de vraag voorkomt wie op het adres (van appellante) woont of heeft gewoond, maar niet de vraag waarop de wetenschap van de getuigen daaromtrent is gebaseerd. Ook overigens bevatten deze getuigenverklaringen hierover geen details. Voorts is van de op 30 januari 2007 afgelegde getuigenverklaringen van drie niet bij naam genoemde buurtbewoners van de [adres 2] slechts een uiterst summier proces-verbaal beschikbaar, waarin is opgenomen dat de drie getuigen hebben bevestigd dat appellanten ongeveer vier à vijf maanden op het adres van appellante wonen. Wat er precies is gevraagd en door wie wat precies is geantwoord, is niet duidelijk. De bewijskracht van deze getuigenverklaringen van de (oud)buurtbewoners van appellante is dan ook zeer gering.

5.7.2. De sociale recherche heeft, vooral met het oog op de vraag of appellant ten tijde van belang op het adres van appellante bleef slapen, op 11 en 29 oktober en 1 november 2007 opnieuw drie getuigen gehoord. Uit de processen-verbaal van deze getuigenverklaringen komt naar voren dat deze drie getuigen ervan uit zijn gegaan dat appellanten een stel waren en dat zij hebben aangenomen dat appellant ook gedurende de nachten op het adres van appellante heeft verbleven, maar hierover niet met zekerheid kunnen verklaren. Ook deze verklaringen rechtvaardigen niet de conclusie dat appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Hetzelfde geldt voor de getuigenverklaringen die op 1 en 7 maart 2007 door de (oud)bestuurders van de volkstuinvereniging zijn afgelegd, nu daaruit naar voren komt dat zij ervan uitgaan dat appellanten in de zomermaanden vaak in het tuinhuisje van appellante verbleven, maar dit niet zeker weten. De Svb heeft zich ook beroepen op de getuigeverklaringen van de zoon van appellant die zowel op 7 december 2006 als op 16 februari 2007 door de sociale recherche is gehoord over de woonsituatie op het adres [adres 3]. De Raad stelt vast dat de door deze zoon op 7 december 2006 afgelegde summiere verklaring, zoals die is weergegeven in een door hem niet ondertekend proces-verbaal van 8 december 2006, afwijkt van de door hem op 16 februari 2007 afgelegde verklaring, zoals die is weergegeven in een wel door hem ondertekende verklaring. De Raad is van oordeel dat op grond van deze verklaringen over de woonsituatie op het adres [adres 3], wat hier ook van zij, geen conclusies kunnen worden getrokken over het al dan niet gezamenlijk hoofdverblijf van appellanten.

5.7.3. De Svb heeft zich in de besluiten van 1 september 2008 verder beroepen op het relatief hoge verbruik van water, gas en elektra op de adressen [adres 1] en [adres 2]. De Raad stelt allereerst vast dat ten aanzien van het verbruik op het adres [adres 2] geen verbruiksgegevens zijn overgelegd. Ten aanzien van het adres [adres 1] zijn gegevens over 2002 tot en met 2005 overgelegd, maar niet over 2006 en begin 2007. De gegevens over 2004 en 2005 laten weliswaar een wat hoger verbruik van gas en elektra zien dan het gemiddeld verbruik door een éénpersoonshuishouden, maar daarvoor hebben appellanten een plausibele verklaring gegeven door erop te wijzen dat het een verouderde en energieverbruiksonvriendelijke woning betrof die inmiddels is gerenoveerd.

5.7.4. Dat uit onderzoek van de TNT is gebleken dat op het adres [adres 2] op 18 en 19 december 2006 twee kerstkaarten zijn bezorgd die zowel aan appellante als aan appellant waren gericht, is evenmin voldoende om aan te nemen dat appellanten op dat adres gezamenlijk hoofdverblijf hadden. Daarbij is tevens van belang dat de overige door TNT onderzochte en op dit adres bezorgde poststukken niet aan appellant waren gericht.

5.7.5. De Raad wijst er ten slotte nog op dat de Svb naar aanleiding van de melding op 26 september 2006 geen huisbezoek heeft afgelegd op het woonadres van appellante. Wel zijn in de periode van 19 oktober 2006 tot en met 22 november 2006 ’s avonds vijf waarnemingen nabij de woning van appellante verricht teneinde vast te stellen of de auto van appellant daar aanwezig was. Alleen op 20 november 2006 om 20.22 uur is de auto van appellant nabij die woning waargenomen.

5.8. De Raad oordeelt vervolgens over het standpunt van appellanten dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden.

5.8.1. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 4 november 2005, LJN AU5643) vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM aan op het moment dat er - op zijn minst - een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. Doorgaans zal dit zijn op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of het uitblijven daarvan.

5.8.2. Vaststaat dat sinds de indiening van de bezwaarschriften tegen de besluiten van 10 december 2007 tot aan de datum van deze uitspraak geen vier jaar zijn verstreken. De Raad voegt hieraan nog toe dat de onzekerheid van appellante over haar ouderdomspensioen reeds is geëindigd, nadat de Svb bij besluit van 31 juli 2009 uitvoering had geven aan de aangevallen uitspraak en haar met ingang van 1 augustus 2007 ouderdomspensioen voor een ongehuwde had toegekend. De Raad ziet, anders dan appellanten, geen grond voor het oordeel dat de tijd van de bezwaarschriftprocedure inzake de besluiten van 15 mei 2007 bij de berekening van de redelijke termijn dient te worden betrokken. Aan de onzekerheid van appellanten ten aanzien van de besluiten van 15 mei 2007 is immers een einde gekomen met de herroeping van deze besluiten op 27 juli 2007 en 5 september 2007 en met de hervatting van de betalingen waarop op dat moment recht bestond. De Raad ziet, anders dan appellanten, evenmin grond om ten aanzien van de vaststelling van de redelijke termijn in het onderhavige geval uit te gaan van een kortere duur dan vier jaar. Het voorgaande brengt mee dat de redelijke termijn niet is overschreden.

5.9. De Raad is, gelet op het onder 5.7 tot en met 5.7.5 overwogene, van oordeel dat het besluit van 1 september 2008 inzake de herziening van het ouderdomspensioen van appellant en het besluit van eveneens 1 september 2008 inzake de intrekking van de nabestaandenuitkering van appellante, ook ten aanzien van de periode voorafgaand aan

1 februari 2007, in strijd zijn genomen met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad deze besluiten van 1 september 2008 ook vernietigen voor zover deze zien op de periode voor 1 februari 2007. De Raad ziet in dit geval geen grond om de rechtsgevolgen van de thans vernietigde delen van deze besluiten op bezwaar in stand te laten dan wel zelf in deze zaken te voorzien. Voor het doen van een tussenuitspraak ziet de Raad evenmin ruimte. Een opdracht aan het College op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. Derhalve bepaalt de Raad dat de Svb opnieuw op de bezwaren inzake het ouderdomspensioen van appellant en de nabestaandenuitkering van appellante dient te beslissen, voor zover deze bezwaren zien op de periode voor 1 februari 2007. Het voorgaande brengt tevens mee dat de besluiten van 31 juli 2009 voor vernietiging in aanmerking komen, voor zover daarbij de herziening van het ouderdomspensioen van appellant en de nabestaandenuitkering van appellante ten aanzien van de periode voor 1 februari 2007 zijn gehandhaafd. Gelet op hetgeen onder 5.8 tot en met 5.8.2 is overwogen, slaagt het hoger beroep inzake het ouderdomspensioen van appellante niet en dient het beroep tegen het besluit van 31 juli 2009 inzake het ouderdomspensioen van appellante ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad ziet aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- (1 punt voor de indiening van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit op bezwaar van 1 september 2008 inzake het ouderdomspensioen van appellant over de periode van 1 juni 2005 tot 1 februari 2007 alsmede het besluit op bezwaar van 1 september 2008 inzake de nabestaandenuitkering van appellante over de periode van 1 mei 2004 tot 1 februari 2007 in stand zijn gelaten;

Vernietigt de besluiten van 1 september 2008 inzake het ouderdomspensioen van appellant en de nabestaandenuitkering van appellante, voor zover deze zien op de periode voor 1 februari 2007;

Verklaart het beroep tegen de besluiten van 31 juli 2009, voor zover daarbij de herziening van het ouderdomspensioen van appellant en de nabestaandenuitkering van appellante ten aanzien van de periode voor 1 februari 2007 zijn gehandhaafd, gegrond en vernietigt die besluiten in zoverre;

Bepaalt dat de Svb in zoverre opnieuw op de bezwaren beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 31 juli 2009 inzake het ouderdomspensioen van appellante ongegrond;

Wijst het verzoek om vergoeding van schade inzake schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM af;

Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat de Svb aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) I. Mos.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ