Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8224

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
10-5402 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Appellant heeft zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen in spoor één verricht. De verantwoordelijkheid voor de re-integratie ligt bij appellant. Uit artikel 25, negende lid van de Wet WIA volgt niet dat een loonsanctie ’op maat’ moet worden opgelegd, maar dat deze bepaling voorziet in de oplegging van een loonsanctie van (maximaal) 52 weken, waarbij de uiteindelijke duur van de loonsanctie afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5402 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2010, 08/3640 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.W. Kouwets, advocaat te Bussum, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige M.A. Oudenaller van 15 december 2010 overgelegd.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2011. Namens appellant is verschenen [naam manager], manager personeel en facilitaire zaken, bijgestaan door mr. Kouwets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 13 maart 2008 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werknemer] (hierna: werknemer) jegens appellant als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken, omdat door appellant zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Oudenaller van 30 juli 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij met het Uwv van oordeel is dat appellant onvoldoende inspanningen heeft verricht in spoor één en te snel is overgegaan naar spoor twee. Volgens de rechtbank is niet duidelijk geworden waarom de toegenomen belastbaarheid van de werknemer als gevolg van het bij bureau Focus gevolgde traject niet bij appellant zou kunnen worden benut. Zonder nadere motivering ziet de rechtbank niet in waarom de beperkingen van de werknemer wel in de weg zouden staan aan het verrichten van welke werkzaamheden dan ook bij de eigen werkgever en niet aan het verrichten van werk bij een andere werkgever. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3713, heeft de rechtbank er voorts op gewezen dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellant is gelegen, hetgeen impliceert dat hij verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de geleverde diensten van de door hem ingeschakelde deskundigen, zoals de arbodienst. Wat betreft de beroepsgrond van appellant dat de loonsanctie van 52 weken buitenproportioneel is, heeft de rechtbank onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en naar genoemde uitspraak van de Raad overwogen dat geen loonsanctie ’op maat’ wordt opgelegd, maar dat de loonsanctie maximaal 52 weken bedraagt, waarbij de uiteindelijke duur afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever.

3.1. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat door de arbeidsdeskundige van ArboNed en door de bedrijfsarts is vastgesteld dat werknemer ongeschikt was voor het eigen werk of voor ander werk bij appellant. Volgens appellant was terugkeer, gelet op alle omstandigheden, een onbegaanbare en voor werknemer schadelijke weg. Daarom is niet te snel overgegaan naar re-integratie langs spoor twee. Appellant is van mening dat de totstandkoming van het besluit niet zorgvuldig is geweest, omdat hij vooraf niet is gehoord over het voornemen tot het opleggen van de loonsanctie. Voorts handhaaft appellant zijn standpunt dat de duur van de loonsanctie op maat dient te zijn gesneden, waardoor deze periode maximaal vier maanden en in elk geval (veel) minder dan 52 weken had moeten bedragen.

3.2. In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat het onderzoek wellicht in de primaire fase niet zorgvuldig kan zijn geweest, maar dat niet gezegd kan worden dat de bezwaarfase onzorgvuldig is geweest nu appellant onder andere bij de hoorzitting aanwezig was. Wat betreft de door appellant in hoger beroep aangevoerde gronden heeft de bezwaararbeidsdeskundige verwezen naar zijn eerdere rapportages en gesteld dat hij op basis van dezelfde aangevoerde gronden als in bezwaar en beroep geen aanleiding ziet een ander standpunt in te nemen.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellant, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.3. Het standpunt van het Uwv dat appellant onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de arbeidsdeskundige van 6 maart 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 30 juli 2008. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat het re-integratieresultaat onvoldoende is en dat daarvoor geen deugdelijke grond is, omdat er onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar ander passend werk bij de eigen werkgever. De mogelijkheden daartoe zijn niet in kaart gebracht en de aanwezige functies zijn onvoldoende onderzocht, waarbij ook onvoldoende is bekeken of de arbeidsomstandigheden aangepast kunnen worden. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het oordeel van de arbeidsdeskundige. In zijn rapportage heeft hij aangegeven dat niet is vastgelegd wat appellant heeft onderzocht tijdens het traject van spoor één en dat er geen onderbouwing is waarom dit spoor geen mogelijkheden zou kunnen bieden en opleveren. Nu werknemer een traject heeft gevolgd om zijn belastbaarheid te vergroten, is niet duidelijk waarom de toegenomen belastbaarheid niet bij de eigen werkgever benut kan worden. Mede gelet op het lange dienstverband en de leeftijd van betrokkene had een inspanning van appellant in spoor één volgens de bezwaararbeidsdeskundige meer voor de hand gelegen dan een te snelle overgang naar spoor twee. De re-integratie-inspanning van appellant in spoor één wordt door de bezwaararbeidsdeskundige dan ook onvoldoende geacht, terwijl daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was.

4.4. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van het Uwv dat appellant zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen in spoor één heeft verricht. Wat betreft de totstandkoming van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat van een onzorgvuldige besluitvorming niet kan worden gesproken, nu appellant tijdens de hoorzitting in de gelegenheid is geweest zijn standpunt nader toe te lichten en de bezwaararbeidskundige de gronden van bezwaar en de door appellant overgelegde informatie bij zijn herbeoordeling heeft betrokken. Op de gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en die in hoofdlijnen een herhaling zijn van de gronden die in bezwaar en beroep zijn aangevoerd, heeft de bezwaararbeidsdeskundige gereageerd in zijn rapportages van 30 juli 2008, 9 januari 2009 en 31 maart 2010. In laatstgenoemde rapportage wordt aangegeven dat uit de overgelegde informatie blijkt dat de werknemer al in 2006 de wens had om met een afkoopsom zijn dienstverband te beëindigen en dat het voorstelbaar is dat dit een rol is blijven spelen in het verzuim en de re-integratie-inspanningen. Dit heeft de bezwaararbeidsdeskundige echter geen aanleiding gegeven de re-integratie-inspanningen van appellant anders te beoordelen. De Raad onderschrijft ook op dit punt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In de in bezwaarfase opgestelde aanvullende rapportage door de arbeidsdeskundige van ArboNed, waarin de bij appellant aanwezige functies onder het niveau van de werknemer worden beoordeeld, ziet de Raad evenmin aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen nu niet is gebleken dat reeds eerder tijdens het

re-integratietraject de passendheid van deze functies is onderzocht. De re-integratie-inspanningen van appellant in spoor één zijn dan ook terecht als onvoldoende beoordeeld.

4.5. Wat betreft de door appellant aangevoerde grond dat hij steeds de adviezen van de arbeidsdeskundige van ArboNed en van de bedrijfsarts heeft gevolgd, verwijst de Raad naar zijn - ook door de rechtbank genoemde - uitspraak van 18 november 2009, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellant is gelegen. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.6. Met betrekking tot de door appellant aangevoerde grond betreffende de duur van de loonsanctie heeft de rechtbank terecht verwezen naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3717, waarin de Raad heeft overwogen dat uit artikel 25, negende lid van de Wet WIA niet volgt dat een loonsanctie ’op maat’ moet worden opgelegd, maar dat deze bepaling voorziet in de oplegging van een loonsanctie van (maximaal) 52 weken, waarbij de uiteindelijke duur van de loonsanctie afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Overigens wijst de Raad erop dat het Uwv een verzoek van appellant tot bekorting van de loonsanctie bij besluit van 14 juli 2008 heeft afgewezen en dat het daartegen door appellant ingediende bezwaar bij besluit van 13 januari 2009 ongegrond is verklaard. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

4.7. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.6 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het besluit tot het opleggen van een loonsanctie in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) L. van Eijndthoven.

TM