Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8223

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
10-4916 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit tot weigering van een Wajong-uitkering. Gelet op het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak is tussen partijen niet meer in geschil dat het door appellant overgelegde rapport van psycholoog nieuwe feiten en omstandigheden bevat als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het medisch en arbeidskundig onderzoek van het Uwv heeft op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden en de bevindingen kunnen de daaruit getrokken conclusie dat appellant over voldoende resterende verdiencapaciteit beschikt, rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4916 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 juli 2010, 09/538 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2011. Namens appellant zijn verschenen mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, en [naam vader], de vader van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

1.2. Appellant, geboren [in] 1984, heeft in 2005 een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Bij besluit van 22 juni 2006 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een Wajong-uitkering toe te kennen omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden om als jonggehandicapte in de zin van de Wajong te worden beschouwd. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

1.3. Op 16 juli 2008 heeft appellant een nieuwe aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend, onder overlegging van een rapport van psycholoog J.A. van de Pol van 2 juli 2008. Bij besluit van 22 september 2008 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen op de grond dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het eerder genomen besluit onjuist zou zijn. Bij besluit van 5 januari 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 september 2008 met verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd omdat het berust op een ondeugdelijke motivering, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de in het rapport van psycholoog Van de Pol van 2 juli 2008 gegeven informatie wel als nieuwe feiten en omstandigheden dient te worden aangemerkt. De rechtbank ziet echter niet in dat appellant gelet op deze informatie vanuit objectief-medisch oogpunt bezien op en na zijn zeventiende verjaardag buiten staat zou zijn geweest tot het verrichten van eenvoudige en routinematig te verrichten arbeid, waarbij geen beroep wordt gedaan op intellectuele vermogens. De weigering van het Uwv om het besluit van 22 juni 2006 ten gunste van appellant te herzien, kan naar het oordeel van de rechtbank rechtens worden aanvaard.

3.1. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd - kort samengevat - dat hij vanwege zijn verstandelijke handicap niet in staat is op de arbeidsmarkt te functioneren. Verzocht is om een deskundige te benoemen.

3.2. Het Uwv heeft in hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen aanleiding gezien voor een nader medisch en arbeidskundig onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar & beroep C.H.M. Heeskens-Reijnen heeft van haar bevindingen op 18 januari 2011 verslag gedaan. Zij heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld en geconcludeerd dat bij appellant op zijn zeventiende en achttiende jaar en ook een jaar voor de datum van de eerste aanvraag, 25 februari 2004, sprake was van een lichte verstandelijke beperking die tot enige beperkingen leidt ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Appellant is daardoor aangewezen op vaste bekende werkwijzen en routinematige arbeid. De arbeidsdeskundige bezwaar & beroep W.W.M. Strijbos heeft met inachtneming van de FML en de rapportage van Heeskens-Reijnen een aantal functies geselecteerd. In zijn rapport van 14 maart 2011 heeft Strijbos gemotiveerd dat deze functies ondanks de beperkingen van appellant vanuit medisch oogpunt voor hem geschikt zijn te achten, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt.

4. De Raad, oordelend over hetgeen namens appellant tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd, overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij door de rechtbank is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv het verzoek van appellant van 16 juli 2008 terecht heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 22 juni 2006 tot weigering van een Wajong-uitkering en in dat kader toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Awb.

4.3. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.4. Gelet op het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak is tussen partijen niet meer in geschil dat het door appellant overgelegde rapport van psycholoog Van de Pol van 2 juli 2008 nieuwe feiten en omstandigheden bevat als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Derhalve ligt in dit geding de vraag ter beantwoording voor of het Uwv daarin aanleiding had behoren te zien om terug te komen van het besluit van 22 juni 2006.

4.5. De Raad is van oordeel dat de verzekeringsarts Heeskens-Reijnen inzichtelijk heeft gerapporteerd, waarbij is ingegaan op het rapport van Van de Pol van 2 juli 2008 als ook de overige omtrent appellant beschikbare medische informatie, en dat haar conclusies gemotiveerd zijn weergegeven. Zij heeft er op gewezen dat Van de Pol aangeeft dat de verstandelijke competenties waarschijnlijk van beneden gemiddeld niveau zijn of in het gebied tussen een licht verstandelijke beperking en het beneden gemiddeld niveau classificeerbaar zijn. Met een dergelijk verstandelijk niveau dient, aldus

Heeskens-Reijnen, in functioneren in arbeid rekening te worden gehouden, maar het betekent niet dat functioneren in arbeid in principe niet mogelijk is. Heeskens-Reijnen heeft uiteengezet dat met de beperkingen ten gevolge van een beperkter verstandelijk vermogen rekening gehouden moet worden bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellant op het zeventiende en achttiende jaar en een jaar voor aanvraag, 25 februari 2004. Zij heeft daartoe een FML opgesteld, waarin deze beperkingen zijn vastgelegd. Heeskens-Reijnen heeft in haar rapport van 18 januari 2011 verder uiteengezet dat in september 2004 er bij appellant psychische klachten ontstonden als gevolg van psychosociale omstandigheden die op tot decompensatie leidden. De decompensatie leidde tot verwijzing naar de GGZ. Dit alles speelde ruim na de datum in geding, zijnde de zeventiende en achttiende verjaardag. Voor september 2004 zijn er geen gegevens over decompenseren en geen verwijzingen. Naar aanleiding van de namens appellant bij brieven van 27 april 2011 en 21 juni 2011, met bijlagen, gegeven reactie op het rapport van 18 januari 2011 van Heeskens-Reijnen heeft deze arts in een nader rapport van

4 augustus 2011 gemotiveerd aangegeven dat in de overgelegde stukken geen objectiveerbare gegevens van voor 2004 naar voren komen. Naar het oordeel van de Raad is het standpunt van het Uwv met de rapporten van Heeskens-Reijnen voldoende gemotiveerd. Van de zijde van appellant zijn, evenmin op de terechtzitting van de Raad, daar geen nadere relevante argumenten tegenover gesteld. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.6. De Raad is verder van oordeel dat de arbeidsdeskundige Strijbos in zijn rapport van 14 maart 2011 afdoende heeft toegelicht dat appellant over voldoende resterende verdiencapaciteit beschikt.

4.7. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen is de Raad van oordeel dat het medisch en arbeidskundig onderzoek van het Uwv op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de bevindingen de daaruit getrokken conclusie kunnen rechtvaardigen. Mitsdien kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.8. Uit 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient voor zover aangevochten te worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) L. van Eijndthoven.

JL