Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
11-1005 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen het opleggen van strafontslag is door het College terecht niet-ontvankelijk verklaard. Met de in het voorlopig bezwaarschrift vermelde passage: “de bestreden beschikking strijdig is met zowel de wet als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De beschikking kan dan ook rechtens geen stand houden”, is niet voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, en onder d, van de Awb. Deze passage verschaft geen duidelijkheid over hetgeen partijen verdeeld houdt. De gemachtigde is in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1005 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2010, 09/5957, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 8 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1 maart 1996 in dienst van de gemeente Amsterdam en tewerkgesteld bij de dienst Stadstoezicht, laatstelijk als Parkeercontroleur A. Bij besluit van 3 maart 2009 (hierna: primair besluit) is aan appellant wegens ernstig plichtsverzuim onvoorwaardelijk strafontslag verleend. Bij besluit van 9 november 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het opleggen van die straf

niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

3.1. In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van bezwaar, dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

3.2. Namens betrokkene is tegen het primaire besluit op 14 april 2009 een voorlopig bezwaarschrift ingediend. Daarin is vermeld dat appellant zich niet kan verenigen met het primaire besluit en op nader aan te voeren gronden bezwaar wenst te maken. Wel is namens appellant aangevoerd dat hij van mening is dat “de bestreden beschikking strijdig is met zowel de wet als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De beschikking kan dan ook rechtens geen stand houden”. Bij e-mailbericht van 20 mei 2009 is de gemachtigde van appellant meegedeeld: “Mag ik u verzoeken uw gronden van bezwaar uiterlijk op 1 juni 2009 in te dienen.” Daaraan is toegevoegd: ”Indien de nadere gronden niet op deze datum door de Dienst zijn ontvangen, wordt het bezwaarschrift waarschijnlijk niet-ontvankelijk verklaard.”

De gemachtigde van appellant heeft per e-mailbericht van dezelfde datum aan het college geantwoord “akkoord”.

3.3. De gemachtigde van appellant heeft voor 1 juni 2009 geen nadere gronden ingediend. Bij het bestreden besluit is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de enkele niet toegelichte stelling dat de beslissing in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met name het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel onvoldoende grond is voor bezwaar. Bovendien heeft de gemachtigde van appellant een redelijke termijn gekregen om het verzuim te herstellen en is hij gewaarschuwd voor de gevolgen die verbonden zijn aan het niet tijdig herstellen van dat verzuim. Daarbij is meegewogen dat de gemachtigde van appellant sinds eind april 2009 over alle stukken beschikte. Het college acht verder nog van belang dat de gemachtigde van appellant akkoord was met de termijn en vervolgens niet binnen de termijn heeft gereageerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak dit standpunt van het college onderschreven.

3.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat met de in het voorlopig bezwaarschrift vermelde passage niet is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, en onder d, van de Awb. Naar het oordeel van de Raad verschaft die passage geen duidelijkheid over hetgeen partijen verdeeld houdt. Bovendien blijkt niet waaruit de strijdigheid met de beginselen van behoorlijk bestuur in dit specifieke geval zou bestaan. Het is de Raad dan ook niet gebleken waarom het primaire besluit rechtens geen stand zou kunnen houden. De Raad stelt voorts vast dat de gemachtigde van appellant in de gelegenheid is gesteld het verzuim herstellen, maar daar geen gebruik van heeft gemaakt. Evenmin heeft de gemachtigde van appellant binnen de gestelde termijn om verlenging van de termijn verzocht.

3.5. Nu de Raad voorts geen aanknopingspunten heeft gevonden voor de conclusie dat het college niet in redelijkheid tot niet-ontvankelijkheid heeft kunnen besluiten, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C. Nijholt.

HD