Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU8149

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
10-5380 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Onduidelijkheid omtrent feitelijke woonsituatie. Met verklaringen van getuigen, appellant, de vriendin en de ex-vrouw heeft het College aannemelijk gemaakt dat appellant niet verbleef op het opgegeven adres. Daarvoor is doorslaggevend dat appellant daar weinig tijd doorbrengt, en daarvan niet vertrekt om er weer terug te keren, maar het opgegeven adres juist als postadres gebruikt. Dat hij zijn administratie in zijn auto bewaart, is daarvoor een aanwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5380 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2010, 10/96 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M de Waard, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 maart 2011 heeft mr. E. Yeniasci, advocaat te ’s-Gravenhage, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld en nadien nadere gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Yeniasci en E. Battaloglu als tolk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft over de periode van 1 maart 1999 tot en met 30 april 2007 bijstand ontvangen, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Ten tijde van belang had appellant als zijn woonadres opgegeven [adres 1] te [gemeente] (hierna: het opgegeven adres). Hij stond daar ook ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA).

1.2. Naar aanleiding van een fraudemelding op 10 oktober 2007 is bij het College het vermoeden ontstaan dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [naam vriendin] (hierna: de vriendin) op het adres [adres 2] te [gemeente] (hierna: het adres van de vriendin). De vriendin heeft van 1 oktober 1996 tot en met 30 september 2003 bijstand ontvangen op grond van de Algemene bijstandswet naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van dit vermoeden heeft een sociaal rechercheur van de afdeling Handhaving Controle en Opsporing van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Bij dit onderzoek heeft de sociaal rechercheur dossieronderzoek verricht, registers geraadpleegd en navraag gedaan bij instanties. Voorts heeft de sociaal rechercheur twaalf getuigen gehoord en appellant, zijn ex-vrouw en de vriendin als verdachten verhoord. De resultaten van dit onderzoek heeft de sociaal rechercheur vastgelegd in een proces-verbaal, dat op 18 juli 2009 werd gesloten. De sociaal rechercheur heeft daarin onder meer geconcludeerd dat appellant in de periode van 30 juni 2004 tot en met 30 april 2007 (hierna: de periode in geding) een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met de vriendin op haar adres en/of de feitelijke woonsituatie op het opgegeven adres heeft verzwegen.

1.3. Bij besluit van 26 augustus 2009 heeft het College de bijstand van appellant over de periode in geding herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat hij heeft nagelaten het College mee te delen dat hij een gezamenlijke huishouding met de vriendin voerde en onjuiste inlichtingen heeft verschaft over zijn feitelijke woonsituatie. Bij dat besluit heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 28.734,66 van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 27 november 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2009 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.5. Bij besluit van 26 februari 2010 heeft het College het besluit van 27 november 2009 herzien en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard met aanpassing van de motivering. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden ten aanzien van zijn feitelijke woonsituatie en dat door de daardoor ontstane onduidelijkheid het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van 26 februari 2010. De rechtbank heeft - met een bepaling omtrent proceskosten - het beroep tegen het besluit van 27 november 2009 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 26 februari 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 26 februari 2010 ongegrond is verklaard. Hij voert aan dat hij geen onjuiste opgave heeft gedaan omtrent zijn feitelijke woonsituatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Tussen partijen is slechts in geschil of appellant in de periode in geding verbleef op het opgegeven adres. Het College dient aannemelijk te maken dat appellant daar niet verbleef, omdat het besluit tot intrekking en terugvordering een belastend besluit betreft op de grond dat appellant zijn wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Waar iemand zijn woon- of verblijfplaats heeft, moet beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het College heeft zijn besluitvorming hoofdzakelijk doen steunen op de verklaringen van appellant, zijn ex-vrouw en de vriendin, en op de verklaringen van de twaalf getuigen. Die laatsten zal de Raad kortheidshalve aanduiden met het volgnummer waarin zij in het proces-verbaal van 18 juli 2009 met naam en toenaam zijn opgenomen.

4.2. De ex-vrouw van appellant heeft verklaard dat hij van 2004 tot en met mei 2007 drie dagen in de week bij haar op haar adres in Assendelft verbleef. Getuigen 9, 10 en 11 zijn buren van de ex-vrouw, zij wonen daar, net als de ex-vrouw, vanaf de oplevering van die huizen in mei 2004. Getuigen 9 en 10 hebben verklaard dat appellant vanaf 2004 woont bij de ex-vrouw, dat hij samen met haar boodschappen doet en dat hij een sleutel heeft van de woning. Getuige 9 heeft verklaard dat hij appellant 2 of 3 dagen in de week tegenkwam; getuige 10 heeft verklaard dat hij appellant in de periode in geding 4 of 5 dagen in week tegenkwam. Getuige 11 heeft verklaard dat hij appellant vanaf juni 2004 geregeld zag, maar de laatste twee jaar ongeregeld.

4.3. De vriendin heeft verklaard dat appellant sinds 2003 drie dagen per week bij haar verbleef op haar adres, dat hij ook beschikt over een sleutel van die woning. De vriendin heeft appellant aan haar buren voorgesteld als haar man. Verder heeft de vriendin onder meer verklaard dat appellant zijn administratie bewaart in de kofferbak van zijn auto. Getuigen 4 en 5 zijn of waren buren van de vriendin. Getuige 4 woonde tot februari 2006 onder de vriendin. Zij heeft verklaard dat zij appellant voor 50 procent als haar ex-buurman herkent, dat de vriendin daar alleen woonde met haar zoon, maar dat er af en toe een man langskwam. Getuige 5 woont 48 jaar op het adres naast de vriendin. Zij herkent appellant voor 70 tot 90 procent als degene die op het adres van de vriendin hoort, maar er niet woont. Hij komt er al 8 jaar en is er 1 of 2 keer in de week. Zij denkt dat appellant en de vriendin een stel zijn.

4.4. Getuige 8 is de hoofdbewoner van het opgegeven adres. Hij heeft verklaard dat appellant eigenlijk nooit op dat adres gewoond heeft. Vanaf maart 2002 was hij 2 of 3 jaar 4 of 5 dagen in de week op het adres. Vanaf 2005 was appellant 5 dagen in de maand of 2 of drie dagen in de week op dit adres. Op dit adres had appellant slechts een koffer met kleding staan, geen administratie. Appellant komt er de post ophalen. Appellant durfde zich niet van dit adres uit te schrijven, omdat hij vaak ruzie heeft met zijn vriendin of zijn ex-vrouw. Getuige 12 stond van 19 december 2006 tot en met 8 maart 2007 ingeschreven op het opgegeven adres, dat hij gebruikte als postadres. Hij kent appellant niet en heeft hem nooit aangetroffen op het opgegeven adres. Getuigen 1, 2, 6 en 7 zijn buren van het opgegeven adres. Geen van deze getuigen, die allen al 10 jaar of langer aldaar wonen, herkennen appellant als buurman. Getuigen 6 en 7 verklaren verder wel te weten dat er andere personen wonen op het opgegeven adres.

4.5. Tijdens zijn verhoor heeft appellant verklaard dat hij sinds 2003 drie nachten in de week slaapt bij de vriendin op haar adres. Verder heeft hij verklaard dat hij sinds 2004 1 of 2 dagen verblijft bij zijn ex-vrouw en dat dit wisselt. Over het opgegeven adres heeft appellant verklaard dat hij niet weet hoe vaak hij daar verblijft en dat hij veel weg is. Zijn administratie ligt in de kofferbak van zijn auto.

4.6. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College met deze verklaringen van getuigen, appellant, de vriendin en de ex-vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de periode in geding niet verbleef op het opgegeven adres. Daarvoor is doorslaggevend dat appellant daar weinig tijd doorbrengt, en daarvan niet vertrekt om er weer terug te keren, maar het opgegeven adres juist als postadres gebruikt. Dat hij zijn administratie in zijn auto bewaart, is daarvoor een aanwijzing. Daaraan doet niet af dat appellant in mei 2007 een kloppende situatietekening kon maken van het opgegeven adres. Dat zou appellant immers als regelmatige bezoeker van het opgegeven adres om zijn post op te halen ook kunnen, en zegt dus niets over zijn verblijfplaats. Daaraan kunnen ook niet afdoen de vier schriftelijke verklaringen van kennissen en buren van appellant die - kort gezegd - verklaren dat appellant altijd op het opgegeven adres heeft gewoond. De Raad kent aan deze verklaringen, die op verzoek van appellant zijn opgesteld, minder betekenis toe dan aan tegenover een sociaal rechercheur afgelegde verklaring die in een proces-verbaal is opgenomen. Één van die verklaringen is van getuige 8, maar die houdt niet meer in dan dat hij en appellant zijn overeengekomen dat hij van appellant maandelijks € 100,-- ontvangt. Die verklaringen is niet in strijd met de verklaring die getuige 8 tegenover de sociaal rechercheur heeft afgelegd.

4.7. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 13 december 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD