Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
11/2155 WWB + 11/4805 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding bij onrechtmatige intrekking bijstand. Materiële schade. Het verzoek van appellant om vergoeding van de door appellant opgevoerde kosten heeft betrekking op vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Een en ander brengt mee dat er, naast de reeds toegekende wettelijke rente, in dit geval voor zelfstandige vergoeding van vorenbedoelde kosten geen plaats is. Immateriële schade. Het is niet ondenkbaar dat bij appellant al dan niet psychisch onbehagen is ontstaan door de onrechtmatige intrekking van zijn bijstandsuitkering. Appellant er evenwel niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij daar zodanig onder heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer dan wel op andere persoonlijkheidsrechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2155 WWB

11/4805 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 1 maart 2011, 10/403 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: Bestuurscommissie)

Datum uitspraak: 6 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Bestuurscommissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2011. Appellant is verschenen. De Bestuurscommissie heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Bestuurscommissie is een bestuursorgaan van het openbaar lichaam Drechtsteden. Met ingang van 24 april 2008 zijn alle niet-verordenende wettelijke taken en bevoegdheden van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht die voortvloeien uit onder meer de Wet werk en bijstand (WWB) aan de Bestuurscommissie overgedragen. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de Bestuurscommissie, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) het College verstaan.

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 2 maart 2006 heeft de Bestuurscommissie gehandhaafd het besluit van 1 december 2005 waarbij de Bestuurscommissie de bijstand van appellant met ingang van 31 oktober 2005 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB heeft ingetrokken.

1.3. Bij uitspraak van 2 februari 2007 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 2 maart 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Bij uitspraak van 11 november 2008, LJN BG4008, voor zover van belang, heeft de Raad die uitspraak en het besluit van 2 maart 2006 vernietigd, en bepaald dat de Bestuurscommissie een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van de uitspraak.

1.5. Bij besluit van 8 februari 2010, voor zover van belang, heeft de Bestuurscommissie ter uitvoering van de uitspraak van de Raad aan appellant bijstand toegekend over de periode van 31 oktober 2005 tot en met 13 juni 2007 tot een bedrag van € 16.464,06. Tevens heeft de Bestuurscommissie daarbij wegens de vertraagde uitbetaling van de bijstand wettelijke rente toegekend over de periode van 31 oktober 2005 tot en met 30 september 2009 tot een bedrag van € 3.669,99.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 februari 2010 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betreft de periode waarover de wettelijke rente is berekend, de bestuurscommissie veroordeeld tot vergoeding van de schade die appellant heeft geleden in verband met de overschrijding van de redelijke termijn ten bedrage van € 1.500,-- en het verzoek om schadevergoeding voor het overige afgewezen.

3. Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, samengevat, aangevoerd dat de vergoeding van de wettelijke rente onvoldoende compensatie biedt voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige intrekking van de bijstand. Hij verzoekt om vergoeding voor gemaakte kosten in verband met het gedwongen verlies van zijn woonruimte wegens huurachterstand, voor schulden bij International Card Services, Wehkamp en zijn ziektekostenverzekeraar en voor kosten als gevolg van verlies van zijn inboedel alsmede rente- en incassokosten. Tevens verzoekt hij schadevergoeding ter hoogte van de bijstand over de periode van 13 juni 2007 tot 1 oktober 2007. Ten slotte verzoekt appellant vergoeding voor geleden immateriële schade ten bedrag van € 15.000,--.

3.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de Bestuurscommissie bij besluit van 4 maart 2011 de periode waarover de wettelijke rente is berekend nader bepaald op 31 oktober 2005 tot en met 11 maart 2010, zijnde de datum waarop de nabetaling heeft plaatsgevonden, en het bedrag aan wettelijke rente nader vastgesteld op € 4.045,49. Ter zitting van de Raad heeft appellant desgevraagd aangegeven geen bezwaren te hebben tegen dit besluit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Materiële schade

4.1.1. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 7 april 2009 (LJN BI0588) is de Raad van oordeel dat de gevolgen van een onrechtmatige intrekking van een uitkering in beginsel zijn terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van de uitkering, althans voor zover het gaat om kosten die gemaakt zijn als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door die intrekking. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het verzoek van appellant om vergoeding van de door appellant opgevoerde kosten betrekking heeft op vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Een en ander brengt mee dat er, naast de reeds toegekende wettelijke rente, in dit geval voor zelfstandige vergoeding van vorenbedoelde kosten geen plaats is. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de uitspraak van 7 april 2009 in zijn situatie niet van toepassing is omdat hij over een vrij lange periode zonder inkomen heeft gezeten en dus niet meer gesproken kan worden van een tijdelijk gemis aan geld, nu dit aan bovengenoemd beginsel in principe niet af doet. Daar komt bij dat appellant deze periode had kunnen bekorten door bijvoorbeeld eerder opnieuw bijstand aan te vragen. Wat de verzochte schadevergoeding ter hoogte van de bijstand over de periode van 13 juni 2007 tot 1 oktober 2007 betreft merkt de Raad op dat door appellant niet wordt betwist dat hij vanaf 13 juni 2007 niet meer in Sliedrecht maar in ’s-Gravenhage verblijf hield. Reeds hierom wijst de Raad dit verzoek af.

4.2. Immateriële schade

4.2.1. Bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak van de Raad zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (zie de uitspraak van 21 maart 2008, LJN BC9247). Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op een andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Verder moet worden bedacht dat in gevallen als het onderhavige in de regel wel sprake zal zijn van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan.

4.2.2. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat er sprake is van een verlies aan kredietwaardigheid en een tekort aan welbevinden. Appellant heeft voorts aangegeven geen medische gegevens te willen inbrengen omdat dat een inbreuk is op zijn recht op privacy. De Raad acht het zeker niet ondenkbaar dat bij appellant al dan niet psychisch onbehagen is ontstaan door de onrechtmatige intrekking van zijn bijstandsuitkering. De Raad is evenwel van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij daar zodanig onder heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer dan wel op andere persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het BW.

4.2.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

HD