Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
10-3730 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Geen schending inlichtingenverplichting. Onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het College dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting van de gezamenlijke huishouding geen mededeling heeft gedaan. Het College was bekend met de situatie van appellant De Raad ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Voldoende feitelijke grondslag aanwezig voor het standpunt van het College dat appellant in de hier aan de orde zijnde periode een gezamenlijke huishouding voerde.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 53a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3730 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 juni 2010, 10/215 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 25 oktober 2011, waar partijen - met voorafgaande berichtgeving - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit van 12 augustus 2009 is aan appellant met terugwerkende kracht vanaf 29 oktober 2008 bijstand verleend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande die de kosten kan delen.

1.3. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant met [H.] (hierna: H.) een gezamenlijke huishouding voerde is het College een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Hierbij heeft het College appellant uitgenodigd voor een gesprek op 16 oktober 2009. Vervolgens heeft op 29 oktober 2009 een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden. Van het huisbezoek is een verslag opgemaakt, waarop appellant en H. hebben gereageerd. Op basis van de bevindingen van het onderzoek heeft het College bij besluit van 2 november 2009 de bijstand van appellant met ingang van 29 oktober 2009 ingetrokken op de grond dat appellant met H. een gezamenlijke huishouding voert waarvan appellant geen melding aan het College heeft gedaan. Voorts heeft het College besloten de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 29 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009 van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 73,82 netto.

1.4. Bij besluit van 2 maart 2010 is het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2009 ongegrond verklaard op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met H., waarvan hij geen mededeling heeft gedaan aan het College zodat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu appellant een gezamenlijke huishouding voert, kan hij niet langer als zelfstandig subject voor bijstandsverlening wordt aangemerkt en is de bijstand terecht ingetrokken.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 2 maart 2010 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat sprake was van een rechtmatig huisbezoek. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het gezamenlijk hoofdverblijf niet in geding is. Verder is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van wederzijdse zorg tussen appellant en H. zodat het College zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB. Nu appellant hiervan geen melding heeft gedaan aan het College heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe is aangevoerd dat het huisbezoek onrechtmatig was omdat er geen aanleiding was voor het afleggen van dit huisbezoek. Voorts wordt aangevoerd dat er geen gezamenlijke huishouding is omdat wederzijdse zorg ontbreekt. Tot slot voert appellant aan dat er geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting omdat het College op de hoogte was van zijn woon- en leefsituatie en er sinds augustus 2009 geen wijziging in zijn situatie heeft plaatsgevonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het College de intrekking van de bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142, bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 29 oktober 2009 tot en met 2 november 2009.

4.2. De Raad is van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting van de gezamenlijke huishouding geen mededeling heeft gedaan. De Raad overweegt hiertoe dat appellant en H. in een gesprek op 5 augustus 2009 het College hebben geïnformeerd over de woon- en leefsituatie van appellant. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij tijdelijk door H. is opgevangen, dat er geen huurcontract is en dat hij bij gebrek aan middelen geen huur hoeft te betalen. Het College was dus bekend met de situatie van appellant op 5 augustus 2009. De Raad is niet gebleken van enige wijziging in de woon- of leefsituatie van appellant na 5 augustus 2009 waarvan appellant gehouden was deze aan het College te melden. Dat appellant deze situatie onverminderd heeft laten voortbestaan, nadat bij besluit van 12 augustus 2009 aan hem met terugwerkende kracht met ingang van 29 oktober 2008 bijstand is verleend kan niet als een wijziging in eerdergenoemde zin worden aangemerkt.

4.3. Hetgeen onder 4.2 is overwogen betekent dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB zodat het College niet op die grond bevoegd was de bijstand van appellant in te trekken. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 2 maart 2010 vernietigen omdat het niet op een deugdelijke grondslag berust. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 2 maart 2010 in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

4.4. Wat betreft het huisbezoek stelt de Raad onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2009, LJN BK4064, dat van een redelijke grond voor een huisbezoek sprake is als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.5. De Raad is van oordeel dat in dit geval een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op 29 oktober 2009 aanwezig was. De Raad verwijst hierbij naar hetgeen appellant en H. hebben verklaard tijdens het gesprek op 16 oktober 2009. Appellant betaalt geen huur of kostgeld. Appellant verblijft overdag veelal buitenshuis om H. zo weinig mogelijk tot last te zijn. Appellant heeft een logeerkamer tot zijn beschikking met een bed, kast en bank. Appellant en H. doen alles apart, maar dit kunnen zij niet aantonen. Het College heeft onder deze omstandigheden terecht van appellant verlangd dat hij medewerking zou verlenen aan een af te leggen huisbezoek ten einde de feitelijke leef- en woonsituatie van appellant te onderzoeken. De Raad is voorts van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat appellant er op is gewezen dat de weigering consequenties kan hebben voor de verlening of verdere verlening van bijstand. In de gegeven omstandigheden mocht het College erop vertrouwen dat appellant begreep waarvoor hij toestemming verleende.

4.6. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.7. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Evenmin is van belang of sprake is van een al dan niet tijdelijke situatie.

4.8. Niet in geschil is dat appellant en H. - in ieder geval - vanaf februari 2009 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is voldaan. De Raad dient dan ook de vraag te beantwoorden of is voldaan aan het tweede criterium, dat van wederzijdse zorg tussen appellant en H..

4.9. Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

4.10. De Raad is van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag aanwezig is voor het standpunt van het College dat appellant in de hier aan de orde zijnde periode een gezamenlijke huishouding voerde met H.. De Raad verwijst hierbij naar het op 4 november 2009 opgemaakte rapport van bevindingen en het gespreksverslag naar aanleiding van het op 29 oktober 2009 afgelegde huisbezoek. Appellant en H. hebben bij brief van 7 november 2009 gebruik gemaakt van de mogelijkheid aanvullingen en /of onjuistheden van dit rapport kenbaar te maken. Uit het gespreksverslag blijkt dat appellant heeft verklaard dat hij geen huurcontract heeft en evenmin huur is verschuldigd. Wel betaalt hij af en toe de boodschappen. Voorts mag hij gebruik maken van de gehele woning. Uit de bevindingen van het huisbezoek blijkt verder dat op de kamer van appellant administratie, kleding en andere bezittingen van H. aanwezig is en dat kleding van appellant aanwezig is in de kamer van H. Ook is gebleken dat keukengerei en etenswaren alsmede toiletartikelen niet gescheiden worden bewaard en deels, wat betreft het keukengerei en de etenswaren, gezamenlijk worden gebruikt.

4.11. Uit hetgeen hiervoor onder 4.6 tot en met 4.10 is overwogen blijkt dat appellant gedurende de periode vanaf 29 oktober 2009 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met H., zodat hij vanaf 29 oktober 2009 niet kan worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en derhalve geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Nu het College, zoals in 4.2 is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, betekent het voorgaande dat is voldaan aan de voorwaarden van toepassing van artikel 54, derde lid en onder b, van de WWB, zodat het College op die grond bevoegd was de bijstand van appellant met ingang van 29 oktober 2009 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand met ingang van 29 oktober 2009 gebruik zou kunnen maken.

4.12. Uit 4.11 volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College tevens bevoegd was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode 29 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot terugvordering heeft kunnen besluiten.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in beroep en op € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

6. Nu de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 2 maart 2010 in stand blijven en er geen nabetaling van bijstand volgt, behoeft het - voorwaardelijk geformuleerde - verzoek om schadevergoeding geen nadere bespreking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 2 maart 2010;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.311,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

ij