Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
09-2098 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. De rechtbank heeft de omvang van het geding niet juist vastgesteld door alleen een oordeel te geven over de nieuwe beslissing op bezwaar van 23 oktober 2008. Om deze reden wordt de aangevallen uitspraak vernietigd en doet de Raad de zaak zelf af door het beroep tegen het besluit van 20 maart 2008 niet-ontvankelijk te verklaren. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden door niet onverwijld en uit eigen beweging aan het College te melden dat hij nog gebruik maakt van een bankrekening op naam van zijn bedrijf, dat hij werkzaamheden heeft verricht als chauffeur voor een escortbureau en dat een bedragen van € 570,-- en € 650,--zijn gestort op de bankrekening van zijn echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2098 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 maart 2009, 08/2344 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Rooijen. Het College heeft zich, met voorafgaande berichtgeving, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant woont vanaf september 2004 samen met [V.] (hierna: [V.]) en is op 2 december 2004 met haar gehuwd. [V.] heeft geen recht op bijstand. Vanaf 3 september 2004 ontving appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een vermoeden van fraude heeft het Team Fraudebestrijding van de sector Sociale Zaken en Publiekszaken van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn bankafschriften opgevraagd, is informatie bij instanties opgevraagd, zijn getuigen gehoord, heeft een huisbezoek bij appellant plaatsgevonden en is appellant verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 december 2007, opgemaakt door J.P.M. van den Heuvel. De onderzoeksbevindingen zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 6 december 2007 de aan appellant verleende bijstand over de periode van 30 december 2005 tot en met 22 juli 2007 te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 9.236,75 van appellant terug te vorderen.

1.3. Bij besluit van 20 maart 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 december 2007 ongegrond verklaard.

1.4. Bij besluit van 23 oktober 2008 heeft het College het besluit van 20 maart 2008 ingetrokken. Het bezwaar is gegrond verklaard in die zin dat de terugvordering is vastgesteld op € 4.955,03.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd, waarbij hij heeft verwezen naar hetgeen hij eerder heeft aangevoerd in bezwaar en beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat appellant het beroep tegen het besluit op bezwaar van 20 maart 2008 niet heeft ingetrokken. Door in beroep uitsluitend een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het nadien, hangende beroep, genomen besluit van 23 oktober 2008 heeft de rechtbank de omvang van het geding niet juist vastgesteld en daarmee in strijd gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2. Gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, van openbare orde is, ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak in zoverre te vernietigen. De Raad ziet geen aanleiding de zaak in zoverre terug te wijzen naar de rechtbank en zal de zaak zelf afdoen.

4.3. Het besluit van 23 oktober 2008 houdt naar grondslag en reikwijdte een wijziging van het besluit van 20 maart 2008 in waarmee niet aan het beroep van appellant tegemoet is gekomen, zodat het beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht wordt mede gericht te zijn tegen het besluit van 23 oktober 2008. Bij besluit van 23 oktober 2008 heeft het College het besluit van 20 maart 2008 ingetrokken. Nu niet is gebleken dat appellant thans een in rechte te honoreren belang heeft bij een beoordeling van het besluit van 20 maart 2008 dient het beroep van appellant tegen dit besluit niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.4. Wat betreft het besluit van 23 oktober 2008 kan de Raad zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet onverwijld en uit eigen beweging aan het College te melden dat hij nog gebruik maakt van een bankrekening op naam van zijn bedrijf [B.V.] met rekeningnummer [nr.], dat hij op 20 april 2007 en 3 mei 2007 werkzaamheden heeft verricht als chauffeur voor een escortbureau en dat op 8 november 2006 een bedrag van € 570,-- is gestort op de bankrekening van [V.] en op 11 juli 2007 een bedrag van € 650,--. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College als gevolg hiervan bevoegd was tot herziening van de bijstand over te gaan en de gemaakte kosten van de ten onrechte verleende bijstand van appellant terug te vorderen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. De in hoger beroep aangevoerde beroepsgronden, welke neerkomen op een herhaling van hetgeen in bezwaar en beroep naar voren is gebracht, brengen de Raad niet tot een ander oordeel.

5. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2008, niet. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist op het beroep tegen het besluit van 20 maart 2008;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 maart 2008 niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 149,-- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD