Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
09-7007 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand met 10% verlaagd op de grond dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren en dat hij niet tijdig heeft voldaan aan een oproep, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. Het standpunt van het College dat appellant ongeoorloofd afwezig is geweest is gebaseerd op voldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/7007 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 november 2009, 09/888 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 25 oktober 2011. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontvangt sinds 26 augustus 2002 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Met ingang van 3 februari 2005 is appellant aangemeld bij de Stichting Samen Werken (SSH) om in traject genomen te worden en heeft hij op de afdeling Repeco werkzaamheden verricht. Begin 2008 heeft appellant in verband met medische klachten een medisch onderzoek ondergaan waaruit naar voren is gekomen dat hij 40 uur per week kan werken mits dit geleidelijk opgebouwd wordt. Op 18 april 2008 is dit met appellant besproken. Daarbij is de afspraak gemaakt dat appellant met ingang van 22 april 2008 weer aan het werk gaat voor vijf dagen per week van 8.00 uur tot 12.00 uur. Dit is bevestigd aan appellant bij brief van 18 april 2008. Omdat appellant nadien niet regelmatig op het werk bij SSH verscheen is het recht op uitkering van appellant met ingang van 1 mei 2008 opgeschort. Daarbij is aangegeven dat de uitkering pas wordt overgemaakt nadat appellant zijn aanwezigheidslijsten van SSH heeft overgelegd.

1.2. Nadat de uitkering was hersteld heeft het College bij besluit van 16 juli 2008 de bijstand over de periode van 1 mei 2008 tot 1 juli 2008 met 10% verlaagd op de grond dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren en dat hij niet tijdig heeft voldaan aan een oproep, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 4 en 5 van de Afstemmingsverordening gemeente Steenbergen (hierna: Afstemmingsverordening).

1.3. Bij besluit van 22 december 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 juli 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent proceskosten veroordeling en vergoeding van griffierecht - het beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 december 2008 vernietigd voor zover de maatregel met terugwerkende kracht is opgelegd. De rechtbank heeft het besluit van 16 juli 2008 herroepen en bepaald dat de maatregel van 10% wordt opgelegd over de periode van 8 mei 2008 tot 8 juli 2008. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft in navolging van het College onvoldoende aandacht geschonken aan een zorgvuldige vaststelling van de feiten. Het College heeft oncontroleerbare gegevens in het geding gebracht waaruit niet blijkt op welke wijze de aan- en afwezigheid van appellant geregistreerd is dan wel of die registratie correct is doorgegeven. Een slordige verzuimadministratie en -registratie mag niet ten nadele van appellant strekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het hoger beroep enkel is gericht tegen de opgelegde maatregel van 10% over twee maanden.

4.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3. In artikel 4 van de Afstemmingverordening is bepaald dat de periode van verlaging van de periodieke uitkering gekoppeld is aan de periode gedurende welke de belanghebbende de aan hem opgelegde verplichtingen verwijtbaar niet nakomt, doch tenminste de termijn bedraagt die vermeld staat in artikel 5 van de Afstemmingsverordening.

4.4. In artikel 5 van de Afstemmingverordening is bepaald dat een maatregel van 10% gedurende twee maanden wordt opgelegd indien de belanghebbende zich schuldig maakt aan gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren, of niet tijdig voldoet aan een oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen.

4.5. De Raad stelt vast dat op 18 april 2008 met appellant afspraken zijn gemaakt over het op 22 april 2008 hervatten van zijn werkzaamheden en de geleidelijke opbouw naar een volledige werkweek. Uit de gegevens van de afdeling Repeco blijkt dat appellant op 22 april 2008 zijn werkzaamheden heeft hervat, dat hij zich na drie uur werken heeft ziek gemeld en dat appellant nadien tot en met 8 juli 2008 afwisselend wel of niet gewerkt heeft dan wel afwezig is geweest zonder opgaaf van redenen.

4.6. De Raad stelt vast dat de aanwezigheidslijsten van de afdeling Repeco niet volledig zijn, in die zin dat daarop niet voor alle dagen is ingevuld of appellant verschenen is en zo nee, wat de reden van zijn niet verschijnen is geweest. Uit de lijsten valt echter wel op te maken dat appellant op een aantal dagen ongeoorloofd afwezig is geweest. Hoe vaak dat precies is geweest is daarbij van minder belang. Daartegen heeft appellant slechts een summiere reconstructie ingebracht van zijn afwezigheid die niet onderbouwd is met enige controleerbare gegevens zoals bijvoorbeeld een verklaring van zijn huisarts. Appellant heeft evenmin verifieerbare gegevens overgelegd die zijn stelling ondersteunen dat de verzuimadministratie van de afdeling Repeco ondeugdelijk is. In dat kader acht de Raad mede van belang dat appellant gelet op eerdere ervaringen bij de opschorting van zijn uitkering gevraagd is zelf de aanwezigheidslijsten te overleggen. Hieruit kan de Raad niet anders opmaken dan dat appellant zelf enige vorm van - controle op de - registratie moest bijhouden. Appellant heeft niet gesteld dat hij deze verplichting is nagekomen en dat is evenmin uit de gedingstukken gebleken. Gelet op het vorenstaande berust het standpunt van het College dat appellant ongeoorloofd afwezig is geweest op voldoende feitelijke grondslag.

4.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans

(get.) M.C. Nijholt

HD