Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7760

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
10-2454 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstand buiten behandeling gesteld. Voor een juiste beoordeling van het recht op bijstand is noodzakelijk dat inzicht wordt verkregen in de financiële situatie . In dit kader is tevens van belang of appellante huur is verschuldigd en, zo ja, op welke wijze de huur wordt betaald. Het College heeft terecht om bewijsstukken van huurbetaling gevraagd. Hetgeen appellante heeft aangevoerd bevat geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2454 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 25 maart 2010, 08/2983 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011. Appellante is, met voorafgaande berichtgeving, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van het Ende, werkzaam bij de gemeente Medemblik.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante heeft zich op 11 februari 2008 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Zij heeft bij haar aanvraag opgegeven dat zij een woning aan de [adres 1] te [gemeente] huurt met een huurprijs van € 750,-- per maand.

1.3. Bij brief van 9 april 2008 heeft het College appellante verzocht uiterlijk op woensdag 16 april 2008 aanvullende gegevens te verstrekken, te weten een bewijs van huurbetaling of een schriftelijke verklaring van de makelaar dat zij vanaf 1 december 2007 huur betaalt, een schriftelijke bevestiging van de makelaar dat zij vanaf oktober 2007 van de koop van de woning aan de [adres 1] te [gemeente] (hierna: de woning) heeft afgezien in verband met het ontbreken van een vast inkomen, een kopie van de sleutelverklaring van de makelaar en een schriftelijke bevestiging van de makelaar en/ of de eigenaar dat de woning weer door de eigenaar bewoond gaat worden en welke ingangsdatum hiervoor wordt aangehouden. Tevens is appellante erop gewezen dat, indien zij de gegevens niet of niet volledig verstrekt, dit tot gevolg kan hebben dat de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet verder wordt behandeld.

1.4. Bij besluit van 24 april 2008 heeft het College met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, de aanvraag van appellante buiten behandeling gesteld op de grond dat zij niet binnen de bij brief van 9 april 2008 geboden hersteltermijn de gevraagde stukken heeft ingeleverd.

1.5 Bij besluit van 11 augustus 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 april 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 11 augustus 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij is van mening dat bewijsstukken van huurbetaling niet nodig zijn om het recht op bijstand vast te stellen. Voldoende duidelijk is dat zij huur was verschuldigd en ook hoe zij in haar levensonderhoud heeft voorzien. Daarnaast voert zij aan dat zij geen bewijsstukken van huurbetalingen kan verstrekken omdat de huur altijd contant is voldaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Anders dan appellante aanvoert is de Raad met de rechtbank en het College van oordeel dat voor een juiste beoordeling van het recht op bijstand noodzakelijk is dat inzicht wordt verkregen in de financiële situatie van appellante. In dit kader is tevens van belang of appellante huur is verschuldigd en, zo ja, op welke wijze de huur wordt betaald. Het College heeft bij brief van 9 april 2008 dan ook terecht om bewijsstukken van huurbetaling gevraagd.

4.3. Appellante voert voorts aan dat zij niet beschikt over de gevraagde betalingsbewijzen, omdat zij de huur contant betaalt aan de makelaar en soms aan de eigenaar van de woning, [L.] (hierna: [L.]). Zowel de makelaar als [L.] weigeren betalingsbewijzen af te geven. Wat hier verder ook van zij, de Raad stelt vast dat appellante niet, zoals door het College terecht is verzocht, - een begin van - bewijs heeft geleverd dat zij vanaf 1 december 2007 huur heeft betaald. In dit verband wijst de Raad op de, overigens uiteenlopende, verklaringen van appellante dat haar vader de huur voor haar heeft voldaan. Een verklaring van haar vader hieromtrent heeft appellante evenmin overgelegd.

4.4. Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag van appellante buiten behandeling te laten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD