Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7750

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
09-6828 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering aanvraag bijzondere bijstand. De kosten van woninginrichting worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Geen bijzondere omstandigheid die in het individuele geval bijstandsverlening rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6828 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2009, 09/2162 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dayala. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontvangt een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en een aanvullende uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 28 november 2008 heeft hij een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend in de kosten van een bed, een kledingkast en gordijnen.

1.3. Bij besluit van 15 januari 2009, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 april 2009, heeft het College de aanvraag afgewezen. Hierbij stelt het College, voor zover in hoger beroep van belang, zich op het standpunt dat, ingevolge het gehanteerde beleid, kosten van woninginrichting niet voor bijstand in aanmerking komen omdat een verhuizing voorzienbaar is, zodat voor deze kosten vooraf moet worden gereserveerd. Het College is voorts niet gebleken van bijzondere omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 april 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, waarbij hij heeft aangevoerd dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot bijstandsverlening. Deze omstandigheden zijn gelegen in het gelegde derdenbeslag, het feit dat hij zijn twee meerderjarige thuiswonende kinderen moet onderhouden en dat hij, als gevolg van aantasting door schimmel, zijn volledige woninginrichting ineens heeft moeten vervangen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad worden de kosten van woninginrichting tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

4.3. Wat betreft het gelegde derdenbeslag op het ouderdomspensioen van appellant is de Raad uit de aanwezige stukken gebleken, en ter zitting door appellant bevestigd, dat het derdenbeslag dateert van na de verhuizing en na de aanvraag om bijzondere bijstand. Dit betekent dat het derdenbeslag niet aan reservering in de weg kan hebben gestaan. Ten overvloede merkt de Raad op dat volgens zijn vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 13 mei 2008, LJN BD1877, het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voorvloeiende terugbetalingsverplichting niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in het individuele geval die bijstandsverlening rechtvaardigt.

4.4. Anders dan appellant ziet de Raad evenals het College in het gegeven dat hij zijn twee meerderjarige inwonende kinderen moet onderhouden geen aanleiding voor het aannemen van bijzondere omstandigheden. De Raad verwijst in dit verband naar artikel 4, aanhef en onder a en e, van de WWB, op grond waarvan appellant voor de toepassing van de WWB aangemerkt moet worden als alleenstaande.

4.5. Dat appellant, zoals hij stelt, bij zijn verhuizing al zijn meubels heeft moeten vervangen omdat deze door schimmel waren aangetast, kan naar het oordeel van de Raad evenmin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die moet leiden tot bijstandsverlening.

4.6. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD