Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
10-4325 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juiste medische grondslag. Geen reden voor een urenbeperking. Voor het standpunt dat appellante naast de reeds in de FML opgenomen beperkingen ten aanzien van lopen, zitten en staan ook apart beperkt moet worden geacht ten aanzien van het aspect “afwisseling van houding” ontbreken objectieve medische gegevens. Geen aanleiding om de geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht in twijfel te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4325 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 juni 2010, 09/5638 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 november 2010 heeft de Raad het Uwv een vraag gesteld. Het Uwv heeft bij brief van 15 november 2010, onder bijvoeging van een rapport van bezwaararbeidsdeskundige J.G.M. Claessen van 12 november 2010, op deze vraagstelling geantwoord.

Bij brief van 21 november 2010 heeft appellante op dit rapport van de bezwaararbeidsdeskundige gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2011. Zoals aangekondigd is appellante niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is als [naam functie] werkzaam geweest bij de Belastingdienst. Op 14 januari 2002 is zij uitgevallen in verband met psychische en fysieke klachten. Na afloop op de wettelijke wachttijd is haar met ingang van 13 januari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Met ingang van 16 september 2004 is deze WAO-uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling met toepassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zoals dat luidde tot 1 oktober 2004, is appellante op 19 mei 2009 onderzocht door verzekeringsarts P.M. Jacobs. In zijn rapport van

19 mei 2009 heeft Jacobs geconcludeerd dat appellante ondanks haar beperkingen in staat moet worden geacht structureel arbeid te verrichten. Deze beperkingen heeft de verzekeringsarts neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum. Op de items lopen, lopen tijdens het werk, zitten, zitten tijdens het werk en staan tijdens het werk is daarin normaal gescoord; staan als licht beperkt. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige A.G.W.P. van Gorp in zijn rapport van 19 juni 2009 geconcludeerd dat appellante met inachtneming van de vastgestelde beperkingen geschikt is voor een aantal functies, op grond waarvan het verlies aan verdienvermogen wordt berekend op 76,23%. Bij besluit van

25 juni 2009 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 augustus 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.3. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff op 19 oktober 2009 op basis van het dossier - appellante zag af van een hoorzitting - gerapporteerd. Van Hooff heeft de FML aangepast in die zin dat ook lopen, lopen tijdens het werk, zitten, zitten tijdens het werk en staan als licht beperkt zijn genoteerd. Daarbij heeft zij aangegeven dat in de FML van

25 augustus 2005 bij de items lopen tijdens het werk, zitten tijdens het werk en staan tijdens het werk zogenaamde verborgen beperkingen waren opgenomen, te weten achtereenvolgens: voldoende afwisseling, regelmatig vertreden en voldoende afwisseling met zitten en lopen. Gelet op de in vergelijking tot de eerdere beoordeling in 2005 ongewijzigde belastbaarheid is één en ander door Van Hooff in de FML van 19 oktober 2009 in bovenvermelde zin gecorrigeerd. Tevens is appellante ook in verband met haar medicijngebruik beperkt geacht ten aanzien van persoonlijk risico en beroepsmatig autorijden.

Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige J.G.M. Claessen de passendheid van de eerder geduide functies opnieuw beoordeeld en in zijn rapport van 30 november 2009 geconcludeerd dat een aantal functies automatisch is komen te vervallen en dat een andere functie ook niet langer passend is te achten. Appellante wordt in staat geacht om de functies archiefmedewerker, medewerker bibliotheek (sbc-code 315130), inpakker (handmatig) (sbc-code 111190) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) te verrichten, op grond waarvan het verlies aan verdienvermogen is berekend op 78,42%. Bij besluit van 30 november 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 juni 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen sprake. Voorts heeft zij geoordeeld dat het Uwv alle op de zaak van appellante betrekking hebbende stukken aan haar heeft toegezonden, zodat van schending door het Uwv van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb evenmin sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een zorgvuldige en toereikende medische grondslag. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat niet gebleken is dat het maatmanloon niet juist zou zijn vastgesteld. Voorts heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 30 november 2009, voldoende deugdelijk gemotiveerd dat appellante, gelet op haar beperkingen, de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies kan vervullen.

3. In hoger beroep heeft appellante haar eerder in beroep naar voren gebrachte gronden over schending van de artikelen 7:2 en 8:42, eerste lid, van de Awb herhaald. Voorts is appellante van mening dat in de FML had moeten worden opgenomen dat zij in verband met haar tijdrovende rug- en buikspieroefeningen slechts in deeltijd kan werken en bovendien regelmatig moet kunnen vertreden. Ten slotte is betoogd dat de voor het bestreden besluit gebruikte functies niet passend zijn te achten, omdat daarin onvoldoende afwisselings- en vertredingsmogelijkheden zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De gronden met betrekking tot de schending van de hoorplicht en artikel 8:42, eerste lid, van de Awb slagen niet. De Raad verenigt zich met het daarover door de rechtbank gegeven oordeel en de overwegingen (2.4 en 2.5) waarop dat oordeel berust.

4.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Met betrekking tot de geclaimde urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 19 oktober 2009, zoals aangevuld met haar rapport van 16 maart 2010, aangegeven dat vanuit medisch oogpunt 3 uur per dag oefenen niet geïndiceerd is. Als appellante zo’n drie maal per week een half uur zou oefenen is dat ruim voldoende om de rug- en buikspieren goed krachtig te achten, zodat voor een urenbeperking geen reden is. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van dit oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. Evenmin onjuist acht de Raad de door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 19 oktober 2009 gegeven motivering van de noodzaak tot wijziging van de FML in verband met een aantal in een vorige FML opgenomen verborgen beperkingen, zoals hiervoor onder 1.3 reeds is aangegeven. Voor het standpunt dat appellante naast de reeds in de FML opgenomen beperkingen ten aanzien van lopen, zitten en staan ook apart beperkt moet worden geacht ten aanzien van het aspect “afwisseling van houding” ontbreken objectieve medische gegevens.

4.3.1 Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door het Uwv is aangenomen dat de drie aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht kunnen worden geacht binnen het bereik van appellante te liggen.

4.3.2. Gelet op appellantes standpunt dat de functies archiefmedewerker, medewerker bibliotheek, inpakker (handmatig) en productiemedewerker industrie niet geschikt zijn te achten voor appellante, omdat deze onvoldoende afwisseling van houding en vertredingsmogelijkheden kennen, voegt de Raad daaraan nog het volgende toe. De Raad stelt allereerst vast dat er geen signaleringen zijn verschenen in het zogenoemde Resultaat Functiebeoordeling op de belastingpunten zitten, zitten tijdens het werk, staan, staan tijdens het werk, lopen en lopen tijdens het werk, welke wijzen op een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid in deze functies. Voorst stelt de Raad vast dat appellante op het aspect 5.9 “afwisseling van houding” niet beperkt is geacht. Dat wil zeggen dat er geen specifieke opvolging van verschillende houdingen is vereist en er geen specifieke voorwaarden gelden voor statische houdingen in arbeid. In de arbeidskundige rapporten van 30 november 2009 en 12 november 2010 is vastgesteld dat in de drie geselecteerde functies voldoende mogelijkheden zijn om van houding (zitten, staan en lopen) te wisselen. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden deze vaststelling voor onjuist te houden. Aanleiding om de geschiktheid van deze functies in medisch opzicht in twijfel te trekken ziet de Raad dan ook niet.

5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) G.J. van Gendt.

TM