Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
10-4162 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand met 50% gedurende één maand. Het College heeft terecht aangenomen dat appellant zich ten aanzien van het nakomen van zijn verplichting tot re-integratie verwijtbaar heeft gedragen. Het College was dan ook gehouden de bijstand van appellant te verlagen en heeft daarbij gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de Verzamelverordening. Geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van appellant aanleiding hadden moeten geven om een lagere maatregel op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4162 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], voorheen wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 juni 2010, 09/5512 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.M.A. Leijser, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 10/4161 WWB, plaatsgevonden op 25 oktober 2011. Voor appellant is verschenen mr. Y.E.Y. Vermeulen, kantoorgenoot van mr. Leijser. Het College heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving ten tijde in geding bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. In het kader van een re-integratietraject bij het Jongerenloket Blink volgt appellant sinds maart 2009 de opleiding Mechatronica aan het ROC Tilburg. Op 9 juni 2009 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen appellant, zijn casemanager bij Sociale Zaken en zijn contactpersoon bij Blink. Er is toen onder meer afgesproken dat appellant de gehele maand juni 2009 in de gelegenheid wordt gesteld om te studeren voor het examen Mechatronica - dat eind juni 2009 zal plaatsvinden - en dat hij zich op 1 juli 2009 dient te melden in de sollicitatie-werkruimte van Blink voor een intensieve sollicitatietraining. De genoemde afspraken zijn vastgelegd in een voortgangsrapportage van 10 juni 2009. Appellant heeft zonder bericht niet deelgenomen aan het examen en heeft zich op 1 juli 2009 evenmin gemeld bij Blink. In het voorgaande heeft het College aanleiding gezien om bij besluit van 18 augustus 2009 de bijstand van appellant met ingang van

1 september 2009 te verlagen met 50% gedurende één maand.

1.3. Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 2009 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant in onvoldoende mate heeft meegewerkt aan zijn re-integratieverplichtingen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de tekst van de in deze zaak van belang zijnde bepalingen van de WWB en de Verzamelverordening WWB van de gemeente Tilburg (hierna: Verzamelverordening) verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Niet in geschil is dat appellant ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB verplicht was gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling. Onbetwist is dat appellant niet heeft deelgenomen aan het examen Mechatronica en op 1 juli 2009 niet is verschenen bij Blink voor de sollicitatietraining.

4.2. Appellant stelt zich op het standpunt dat de gedragingen niet verwijtbaar zijn, aangezien de opleiding Mechatronica niet aansloot bij zijn niveau en capaciteiten en hem op voorhand te kennen was gegeven dat hij het examen niet met goed gevolg zou kunnen afleggen. Tevens stelt appellant dat de in de rapportage van 10 juni 2009 genoemde afspraken hem niet bekend waren.

4.3. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat de aan de orde zijnde gedragingen appellant niet kunnen worden verweten. De enkele - overigens niet onderbouwde - stelling van appellant dat docenten van de opleiding hem hadden meegedeeld dat hij het examen niet zou halen, acht de Raad in dit verband onvoldoende. Appellant heeft zonder enig overleg met zijn contactpersoon bij Blink afgezien van deelname aan het examen. De Raad heeft voorts geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de voortgangsrapportage van 10 juni 2009 en de daarin opgenomen en bekend gemaakte afspraken en gaat derhalve voorbij aan de stelling van appellant dat hij niet op de hoogte was van de genoemde afspraken. Ook de stelling van appellant dat hij wel heeft gesolliciteerd en ingeschreven heeft gestaan bij uitzendbureaus brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Zelfs indien deze niet nader onderbouwde stelling juist zou zijn, betekent dit immers niet dat appellant niet op oproepen hoefde te verschijnen en medewerking aan re-integratie, meer in het bijzonder deelname aan het examen, kon weigeren.

4.4. Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen volgt dat het College terecht heeft aangenomen dat appellant zich ten aanzien van het nakomen van zijn verplichting tot re-integratie verwijtbaar heeft gedragen. Het College was, gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB, dan ook gehouden de bijstand van appellant te verlagen en heeft daarbij gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de Verzamelverordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van appellant aanleiding hadden moeten geven om een lagere maatregel op te leggen.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

HD