Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7542

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
12-12-2011
Zaaknummer
09-4669 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2009:BJ2660
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand. Duurzame gebruiksgoederen. In natura. Beleid.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 35, geldigheid: 2011-11-29
Wet werk en bijstand 51, geldigheid: 2011-11-29
Wet werk en bijstand 57, geldigheid: 2011-11-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/25
JWWB 2012/8
RSV 2012/50

Uitspraak

09/4669 WWB

11/6199 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 juli 2009, 08/5187 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 29 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Het College heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Namens betrokkene heeft mr. H. Pasman, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2011. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen. Voor betrokkene is mr. Pasman verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft met ingang van 15 juni 2007 in het kader van de Regeling ter afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet een verblijfsstatus gekregen. Met ingang van 11 juli 2007 is hem een woning toegewezen, die kaal is opgeleverd.

1.2. Op 21 juli 2008 heeft betrokkene een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor onder meer de kosten van aanschaf van diverse duurzame gebruiksgoederen.

1.3. Het College heeft bij besluit van 7 augustus 2008 aan betrokkene bijzondere bijstand toegekend, onder meer bestaande uit enkele goederen die in natura worden verstrekt. In het besluit is vermeld dat het geld voor de reparatie of aanschaf van de wasmachine, kookplaat gas, stofzuiger en televisie rechtstreeks wordt betaald aan een bepaald bedrijf dat de goederen zal leveren of repareren. Als betrokkene bij het bedrijf een duurder apparaat uitzoekt moet hij de extra kosten zelf betalen.

1.4. Bij besluit van 10 november 2008 heeft het College het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 augustus 2008 ongegrond verklaard. Daaraan ligt onder meer ten grondslag dat de gemeente Nijmegen vanaf 1 januari 2008 bijzondere bijstand voor huishoudelijke apparaten waaronder een wasmachine, koelkast, stofzuiger, televisie en kooktoestel alleen nog in natura verstrekt. Van zeer dringende redenen om van dit beleid af te wijken is niet gebleken.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 10 november 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het ziet op de verlening van bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in natura en het College opgedragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De rechtbank is - samengevat en voor zover hier van belang - van oordeel dat het College niet bevoegd was bij besluit van 12 juni 2007 nader te regelen dat bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt verleend in de vorm van bijstand in natura. Voor zover het besluit moet worden beschouwd als een beleidsregel over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid van het College om in het kader van de WWB bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen te verstrekken, is het in strijd met de wet. Bij de vaststelling van de vorm van de te verstrekken bijstand heeft het College de keuze tussen verstrekking om niet of in de vorm van een geldlening. Betaling aan een derde kan uitsluitend plaatsvinden indien de belanghebbende deze uitdrukkelijk heeft gemachtigd de bijstand in ontvangst te nemen of wanneer wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 57, aanhef en onder a, van de WWB, en betaling van de bijstand in natura kan uitsluitend plaatsvinden indien is voldaan aan de voorwaarden genoemd in onderdeel b van artikel 57 van de WWB. De beleidsregel op grond waarvan het toegekende geldbedrag in alle gevallen rechtstreeks wordt betaald aan de leverancier die betrokkene vervolgens voorziet van de toegekende duurzame gebruiksgoederen leidt volgens de rechtbank tot een situatie die op één lijn moet worden gesteld met het verstrekken van bijstand in natura als bedoeld in artikel 57, aanhef en onder b, van de WWB. De rechtbank komt tot de slotsom dat het College niet bevoegd was tot bijstandverlening in de vorm van goederen.

3.1. In hoger beroep heeft het College onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 7 juli 2009, LJN BJ1918, betoogd dat sprake is bovenwettelijk minimabeleid met een verstrekkingenpakket. Dat beleid houdt onder meer in dat mensen die langer dan drie jaar hebben moeten rondkomen van een inkomen op bijstandsniveau om niet een wasmachine, koelkast, televisie, computer, kooktoestel en stofzuiger wordt verstrekt. Nadat de noodzaak van de verstrekking is vastgesteld, kunnen betrokkenen het bepaalde goed bij een bepaalde leverancier uitzoeken, waarbij zij vrij zijn om een duurder goed te kiezen onder betaling van de meerkosten. Volgens het College dient slechts te worden getoetst of het beleid op consistente wijze wordt toegepast. Ter zitting van de Raad heeft het College zich nader op het standpunt gesteld dat het niet gaat om minimabeleid maar om buitenwettelijk begunstigend beleid bij de toepassing van de bepalingen van de WWB betreffende de verlening van bijzondere bijstand.

3.2. Betrokkene heeft zich achter de aangevallen uitspraak geschaard. Volgens betrokkene is het beleid geen minimabeleid, niet buitenwettelijk en in strijd met de wet. Bovendien is het beleid volgens betrokkene niet begunstigend, omdat hij niet de mogelijkheid heeft om de gebruiksgoederen aan te schaffen bij een winkel die de goederen voor een lagere prijs of een betere kwaliteit aanbiedt.

4. Naar aanleiding van de standpunten van partijen overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat betrokkene in aanmerking komt voor bijzondere bijstand om niet in onder meer de kosten van de onder 1.3 vermelde duurzame gebruiksgoederen. Het hoger beroep betreft uitsluitend de vraag of het het College de bijstand voor deze gebruiksgoederen terecht in natura heeft verleend.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de WWB buiten artikel 57, aanhef en onder b, van de WWB geen wettelijke grondslag biedt om de bijzondere bijstand die aan betrokkene voor deze goederen is toegekend niet in een bedrag om niet aan hemzelf te betalen, maar deze in natura te verlenen door de goederen door een door het College bepaalde leverancier te laten verstrekken. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad stelt vast, dat in het geval van betrokkene een situatie als bedoeld in artikel 57, aanhef en onder b, van de WWB niet aan de orde is.

4.3. De Raad onderschrijft ook het oordeel van de rechtbank dat het beleid dat aan de besluitvorming van het College ten grondslag ligt en dat is neergelegd in het besluit van het College van 12 juni 2007 in strijd is met de wet. De beschikbare gegevens bieden geen steun voor de stelling van het College dat het beleid, voor zover het om de wijze van bijstandsverlening gaat, moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat in het Collegevoorstel dat aan het besluit van 12 juni 2007 ten grondslag ligt als doelstelling van het beleid is vermeld de inrichting van een efficiënter en klantvriendelijker werkproces, een betere waarborging van de rechtmatige besteding van de bijzondere bijstand en de mogelijkheid om te besparen op de kosten van de verstrekkingen en uitvoering. De gemachtigde van het College heeft ter zitting betoogd dat met het verstrekken van de goederen door één leverancier de kwaliteit en duurzaamheid van de goederen waarvoor bijzondere bijstand wordt verleend beter worden gewaarborgd. In de visie van het College heeft de belanghebbende hier belang bij, en is het op deze wijze verstrekken van bijzondere bijstand ook voor het het College van belang voor de beoordeling van eventuele latere aanvragen voor bijzondere bijstand in de kosten van vervanging van deze goederen. Ook hieruit kan de Raad echter niet afleiden dat de belanghebbende bij toepassing van het beleid beter af is dan wanneer de toegekende bijzondere bijstand in overeenstemming met artikel 51 van de WWB in de vorm van een bedrag om niet aan hem wordt betaald. Naar het oordeel van de Raad gaat het hier veeleer om een beperking van de vrijheid van de belanghebbende om te bepalen waar hij de gebruiksgoederen aanschaft. De Raad wijst er in dit verband op dat het College voldoende andere mogelijkheden ten dienste staan om te bereiken dat het bedrag van de bijstand daadwerkelijk wordt besteed aan de kosten waarvoor bijstand is verleend.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Dit betekent dat het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak door het College genomen besluit van 3 augustus 2011, waarbij de toegekende bijstand voor de onder 1.3 vermelde goederen alsnog aan

betrokkene is betaald en waarmee geheel aan het beroep van betrokkene tegemoet is gekomen, geen bespreking behoeft.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van

€ 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van het College een griffierecht wordt geheven van € 447,--.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en W.F. Claessens en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R. Scheffer.

IJ