Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7455

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
11-264 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. Geen aanknopingspunten voor de stelling dat appellante rond haar 21e levensjaar 52 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/264 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 december 2010, 09/5157 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Opperdoes, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 21 februari 2011 overgelegd.

Nadien heeft appellante nog enkele stukken, waaronder cijferlijsten uit de periode 1973 tot 1977, overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1955, heeft op 10 december 2008 een Wajong-aanvraag ingediend.

1.2. Bij besluit van 29 september 2009 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit geen Wajong-uitkering toe te kennen. Aan voornoemd besluit ligt ten grondslag de rapportage van bezwaarverzekeringsarts

P. Eken van 28 september 2009, die op basis van onderzoek heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat appellantes arbeidsongeschiktheid rond haar 21e levensjaar 52 weken aaneengesloten heeft geduurd.

2. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 29 september 2009 ingestelde beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat er onvoldoende objectiveerbare medische gegevens zijn op grond waarvan gesteld kan worden dat appellante tijdens haar studie arbeidsongeschikt was en dat deze arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft geduurd. Appellante heeft voor de voor dit geding relevante periode geen enkele objectieve informatie overgelegd. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat er wel degelijk voldoende objectiveerbare medische gegevens zijn op grond waarvan gesteld kan worden dat zij arbeidsongeschikt was en dientengevolge aanspraak kan maken op een Wajong-uitkering. Ter ondersteuning van haar betoog is gewezen op in bezwaar en beroep ingebrachte informatie van psycholoog M.G. Duyvendak.

4.1. De Raad, vaststellende dat voorligt de vraag of appellante rond haar 21e levensjaar de wachttijd van 52 weken heeft volbracht, overweegt als volgt.

4.2.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2007, LJN BA0905) dient een aanvraag om uitkering in beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak, waarop de aanspraak betrekking heeft. Gelet op de aanvraag van appellante om toekenning van een Wajong-uitkering vanwege tijdens haar 21e levensjaar bestaande arbeidsongeschiktheid, moet deze aanvraag - inhoudelijk gezien - worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), zoals die luidden op de datum in geding.

4.2.2. Aangezien het, inhoudelijk gezien, in de AAW en de Wajong om nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat, leest de Raad het besluit van 29 september 2009 als een weigering een uitkering met toepassing van de inmiddels ingetrokken AAW toe te kennen en de aangevallen uitspraak als een beoordeling van het op deze wijze gelezen besluit.

4.3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat appellante rond haar 21e levensjaar gedurende een periode van (minimaal) 52 weken arbeidsongeschikt is geweest wegens bij appellante bestaande psychische problematiek. De Raad verwijst in dit verband naar de relevante overwegingen in de aangevallen uitspraak en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt daar aan toe dat hij in de door appellante in hoger beroep overgelegde stukken evenmin aanknopingspunten heeft gevonden voor de stelling dat zij rond haar 21e levensjaar 52 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest.

4.3.2. Vanwege de laattijdige aanvraag - 32 jaar na het 21e levensjaar - komt het nadeel dat de medische situatie niet meer met zekerheid is vast te stellen voor rekening en risico van appellante. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

4.4. Het hoger beroep van appellante treft gelet op het vooroverwogene geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2011

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) M.D.F. Smit-de Moor.

IvR