Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
11-620 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als reactie op de tussenuitspraak van de rechtbank heeft het Uwv expliciet kenbaar gemaakt zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat de functie naaister niet bij de schatting mag worden betrokken. De rechtbank had deze brief moeten opvatten als een mededeling van het Uwv dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. De rechtbank had vervolgens toepassing moeten geven aan artikel 8:51c, aanhef in verband met onderdeel a, van de Awb en het onderzoek moet sluiten, het beroep gegrond moeten verklaren en het bestreden besluit moeten vernietigen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:51c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/45 met annotatie van A. Tollenaar
RSV 2012/95
USZ 2012/20
JB 2012/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/620 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 december 2010, 09/6471 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2011. Appellant heeft zich laten bijstaan door mr. Severijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuijt.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 6 oktober 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 5 september 2006 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan, omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 maart 2007 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 26 januari 2009, 07/3319, het tegen het besluit van 30 maart 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding ziet om het medisch oordeel onzorgvuldig of het medisch oordeel niet juist te achten. Met betrekking tot de vraag of de aan appellant voorgehouden functies in medisch opzicht geschikt zijn, heeft de rechtbank geoordeeld dat de functies van productiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc-codes 272043) en productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) ten onrechte bij de schatting zijn betrokken.

2.2. Daarop heeft bezwaararbeidsdeskundige W. van Keeken het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem geraadpleegd en onder meer de functie naaister (Sbc-code 272042) geduid. In haar rapport van 29 juli 2009 heeft Van Keeken het verlies aan verdienvermogen herberekend op 29%. Bij besluit van 4 augustus 2009 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant derhalve opnieuw ongegrond verklaard.

2.3. In haar tussenuitspraak van 7 juli 2010, 09/6471, heeft de rechtbank – voor zover hier relevant – overwogen dat zij de motivering van bezwaararbeidsdeskundige Van Keeken van de bij item 1.1 (concentreren van de aandacht) in de functiebeschrijving van naaister (Sbc-code 272043) verschenen signalering onvoldoende acht. De rechtbank heeft geoordeeld dat die functie niet geschikt is te achten voor appellant, zodat deze ten onrechte bij de schatting is betrokken. De rechtbank heeft aanleiding gezien om het Uwv in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen door het nemen van een nieuw besluit.

2.4. In zijn brief van 29 juli 2010 heeft het Uwv meegedeeld zich niet te kunnen vinden in de tussenuitspraak van de rechtbank. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Van Keeken van 28 juli 2010, waarin de geschiktheid van de functie naaister nogmaals nader is toegelicht.

2.5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv, met het overleggen van de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Van Keeken van 28 juli 2010, voldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan de functie naaister geschikt is te achten voor appellant. Tevens heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak beslissingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten gegeven.

3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de rechtbank ten onrechte is teruggekomen van haar in de tussenuitspraak gegeven oordeel dat de functie naaister niet bij de schatting betrokken had mogen worden. Voorts blijft appellant bij zijn standpunt dat hij die functie, ondanks de nadere toelichting van bezwaararbeidsdeskundige

Van Keeken, niet kan vervullen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Als reactie op de tussenuitspraak van de rechtbank heeft het Uwv bij de brief van 29 juli 2010 expliciet kenbaar gemaakt zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat de functie naaister niet bij de schatting mag worden betrokken. De rechtbank had deze brief moeten opvatten als een mededeling van het Uwv dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen (artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb). De rechtbank had vervolgens toepassing moeten geven aan artikel 8:51c, aanhef in verband met onderdeel a, van de Awb en het onderzoek moet sluiten, het beroep gegrond moeten verklaren en het bestreden besluit moeten vernietigen. Nu de rechtbank dit heeft nagelaten zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank.

5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 111,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H. Bolt en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) E. Heemsbergen.

CVG