Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
10-3753 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt voor maatgevende arbeid. Op grond van de omtrent betrokkene beschikbare medische informatie is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat de klachten van betrokkene niet voortkomen uit ziekte of gebrek, maar een direct gevolg zijn van de psychosociale overbelasting, welke kan worden gezien als een ‘life event’ waarop betrokkene niet voldoende heeft kunnen anticiperen. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat voor deze zienswijze ook steun is te vinden in de brief van betrokkenes huisarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3753 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 mei 2010, 09/2505 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 7 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.A.M. van den Eeden, advocaat te Eindhoven, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van den Eeden.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was laatstelijk werkzaam geweest als verkoopster in het Kruidvat voor 32 uur per week. In juli 2008 is zij bevallen van een dochtertje met een ernstige lichamelijke aandoening. Hierdoor waren diverse operaties noodzakelijk alsmede opname op de intensive care afdeling. Aansluitend aan de datum van het beëindigen van haar bevallingsuitkering heeft betrokkene zich ziek gemeld.

2. Op 19 november 2008 en 16 april 2009 is betrokkene onderzocht door de verzekeringsarts H.W.A. Rutten. Deze was van oordeel dat betrokkene niet arbeidsongeschikt is voor haar maatgevende arbeid, omdat sprake is van spanningklachten ten gevolge van de ziekte van haar kind en niet van een depressie. In overeenstemming hiermee is bij besluit van 5 mei 2009 betrokkenes uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 11 mei 2009 beëindigd.

3. In het kader van de bezwaarprocedure is de bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman, op grond van aanvullend eigen onderzoek en inlichtingen van de huisarts van betrokkene, in zijn rapport van 12 juni 2009 tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is om af te wijken van het primaire medische oordeel. Naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts komt uit zijn eigen onderzoek alsmede dat van de verzekeringsarts Rutten en de inlichtingen van betrokkenes huisarts naar voren dat de (over)belasting van betrokkene wordt gevormd door haar psychosociale situatie. De bezwaarverzekeringsarts was het eens met de vaststelling van de huisarts dat bij betrokkene sprake was van depressieve klachten. Hij achtte bij haar echter geen sprake van een depressie in engere zin waardoor betrokkene niet zou kunnen werken. Dienovereenkomstig is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 5 mei 2009 bij het bestreden besluit van 15 juni 2009 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat het volgens de rechtbank goed onderbouwde oordeel van de huisarts zwaarder had moeten wegen dan het oordeel van de verzekeringsartsen van appellant.

5. In hoger beroep is door appellant het standpunt ingenomen dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene niet voortkomt uit ziekte of gebrek. Appellant is van mening dat de aangevallen uitspraak in dat opzicht aan een motiveringsgebrek lijdt, aangezien de rechtbank zich over de kwestie van ziekte of gebrek niet heeft uitgelaten.

6. Met betrekking tot hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad dat hij op grond van de omtrent betrokkene beschikbare medische informatie geen aanleiding heeft gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen dat de klachten van betrokkene niet voortkomen uit ziekte of gebrek, maar een direct gevolg zijn van de psychosociale overbelasting, welke kan worden gezien als een ‘life event’ waarop betrokkene niet voldoende heeft kunnen anticiperen. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat voor deze zienswijze ook steun is te vinden in de brief van betrokkenes huisarts van 8 juni 2009. De huisarts beschrijft in die brief dat betrokkene na de geboorte van haar dochtertje langdurig in een Ronald McDonaldhuis te Maastricht verbleef. Na thuiskomst werd de belasting in mentaal opzicht nog zwaarder, aangezien de zeer intensieve zorg voor de baby nu volledig op betrokkene kwam te rusten. Volgens de huisarts had betrokkene als gevolg daarvan duidelijke depressieve en spanningsklachten en had zij het mentaal moeilijk met de traumatische ervaringen tot nu toe in combinatie met de zorg voor de baby.

7. In het verlengde van het voorgaande heeft de Raad bovendien van belang geacht dat de huisarts betrokkene niet voor de behandeling van haar depressieve klachten heeft doorverwezen naar een psycholoog of psychiater. Overigens gebruikte betrokkene geen medicijnen voor haar depressieve klachten en is de gestelde depressie ook niet aan de orde gekomen toen zij in augustus 2009 onder begeleiding kwam van de mentale coach drs. J. Scheepens. Desgevraagd heeft de gemachtigde ter zitting van de Raad verklaard dat de diagnose depressie bij betrokkene nimmer is gesteld.

8. De Raad is mitsdien van oordeel dat betrokkene met ingang van 11 mei 2009 terecht niet ongeschikt is geacht voor haar arbeid.

9. Vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

10. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

KR