Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7428

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
11-2267 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2267 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 maart 2011, 08/4216 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.H. Roebroek, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien heeft appellant een rapport overgelegd van verzekeringsarts H.M.Th. Offermans van 21 juni 2011. Daarbij zijn tevens gevoegd stukken opgesteld in het kader van een ‘burger Defensie Functieongeschiktheid Advies’, waaronder een rapport van verzekeringsarts H.M. de Boer van 10 november 2008, en een door majoor-arts F. Streefkerk op 2 oktober 2007 opgestelde ‘probleemanalyse WIA’.

In reactie op deze stukken heeft het Uwv met de fax van 12 september 2011 een rapportage van bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon van 26 augustus 2011 toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. Roebroek. Het Uwv was vertegenwoordigd door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 27 februari 2008 is appellant met ingang van 22 februari 2007 een WAO-uitkering geweigerd nu hij per laatstgenoemde datum geschikt is geacht voor zijn werk als senior technisch medewerker bouwkunde.

1.2. Bij besluit van 5 november 2008 heeft het Uwv zijn besluit van 27 februari 2008 gehandhaafd.

2.1. In de beroepsfase heeft de rechtbank aanleiding gezien zich te laten voorlichten door een door haar ingeschakelde deskundige, te weten revalidatiearts W.C.G. Blanken. Op basis van een eigen onderzoek, opgevraagde en voorhanden zijnde medische gegevens heeft Blanken de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 juni 2008 opgenomen beperkingen onderschreven. Zijn bevindingen en conclusies zijn neergelegd in het rapport van 27 augustus 2010.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat het rapport van revalidatiearts Blanken op een zorgvuldig onderzoek berust en dat de deskundige uitgebreid en inzichtelijk heeft gemotiveerd hoe hij tot zijn conclusie is gekomen. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het expertiserapport. Het tegen het besluit van 5 november 2008 ingestelde beroep is derhalve ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij meer beperkt is dan door het Uwv thans wordt aangenomen. Met name een urenbeperking is ten onrechte niet geïndiceerd, maar ook met de lichamelijke klachten (pijnuitstraling naar beide heupen en benen, scoliose, snel toenemende vermoeidheid en verminderde concentratie) is in onvoldoende mate rekening gehouden. In dit verband heeft appellant onder meer gewezen op de rapportages van de door hem ingeschakelde verzekeringsarts Offermans. Voorts heeft appellant verzocht het Uwv te veroordelen in de schade die hij lijdt dan wel zal gaan lijden.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.1. De rechtbank heeft terecht gewezen op de in vaste rechtspraak besloten liggende lijn dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te worden gevolgd, behoudens feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt van dat uitgangspunt af te wijken. Van dergelijke feiten of omstandigheden is de Raad, evenals de rechtbank, niet gebleken.

4.2.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat revalidatiearts Blanken op uitgebreide en inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd hoe hij tot de conclusie is gekomen dat de door het Uwv opgestelde FML kan worden gehandhaafd. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt hieraan toe dat een revalidatiearts, gelet op de aard van de bij appellant bestaande gezondheidsproblematiek, bij uitstek deskundig is om daarover een gefundeerd oordeel te geven. In zoverre moet aan het rapport van Blanken een zwaarder gewicht worden toegekend dan aan de door appellant overgelegde rapporten van verzekeringsarts Offermans. De Raad neemt daarbij tevens in aanmerking dat de informatie van revalidatieartsen J. Hofstede en P.J.C.M. van Leeuwen van 14 augustus 2006 respectievelijk

26 september 2007 geen aanknopingspunten biedt voor een andere conclusie.

4.3. Ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde stukken overweegt de Raad het volgende. Voor wat betreft de in het kader van een ‘burger Defensie Functieongeschiktheid Advies’ overgelegde stukken waarin is aangegeven dat appellant niet langer dan vier uur per dag in arbeid actief kan zijn, oordeelt de Raad dat deze stukken (ruim) na de datum in geding - 22 februari 2007 - zijn opgesteld en dat daarin niet is gemotiveerd op welke (medische) gronden een urenbeperking noodzakelijk wordt geacht. Dat appellant zelf stelt na vier uren werken "op" te zijn is onvoldoende. In de door majoor-arts Streefkerk op 2 oktober 2007 - eveneens van na de datum in geding - opgestelde ‘probleemanalyse WIA’ heeft de Raad evenmin aanwijzingen gevonden voor het standpunt van appellant dat de voor op 22 februari 2007 geldende beperkingen zijn onderschat. Voor zover appellant meent dat uit de in 2010 vastgestelde scoliose verdergaande beperkingen voortvloeien oordeelt de Raad dat dit voor de onderhavige beoordeling geen rol kan spelen.

4.4. Met de rechtbank is de Raad, uitgaande van de juistheid van de FML van 2 juni 2008, van oordeel dat appellant in staat kan worden geacht zijn werkzaamheden als senior technisch medewerker bouwkunde te verrichten.

5.1. Gelet op het overwogene in 4.2.1 tot en met 4.4 treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.2. Nu het hoger beroep niet slaagt, dient het verzoek om vergoeding van de door appellant geleden schade te worden afgewezen.

5.3. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) M.D.F. Smit-de Moor.

JL