Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
10-2799 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. Herbeoordeling. Artikel 35, zesde lid, van de WAZ bepaalt niet dat herbeoordelingen in de situatie waarin appellant verkeert niet mogelijk zijn, maar slechts dat herbeoordeling voor een bepaalde groep uitkeringsgerechtigden verplicht is. Dat appellant, indien hij wel vóór 22 februari 2007 zou zijn herbeoordeeld, zou hebben behoord tot de groep die uitdrukkelijk van die verplichting is uitgezonderd, betekent niet dat hij niet zou mogen worden herbeoordeeld. De schatting is op de arbeidskundige aspecten voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Aan de aan de schatting ten grondslag liggende medische aspecten kan geen aandacht worden besteed in de onderhavige procedure. De rechtbank heeft in haar ongedateerde, op 27 mei 2009 verzonden uitspraak de tegen deze aspecten gerichte beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen, zodat, nu tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingesteld, van de juistheid van de oordelen van de rechtbank op die punten moet worden uitgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2799 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 april 2010, 09/3807 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2011 I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A.M. Broos, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door L.G.N. Maas. Voor het Uwv is verschenen mr. G.A. Vermeijden. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen te verduidelijken welke functies aan de schatting van appellant ten grondslag hebben gelegen en daarbij aan te geven welk resultaat functiebeoordeling bij de schatting is gebruikt.

Het Uwv heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en, ter nadere toelichting op de schatting van appellant, op

6 mei 2011 een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 27 april 2011 / 2 mei 2011 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 11 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door Maas. Voor het Uwv is verschenen mr. Vermeijden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was tot oktober 1990 werkzaam als zelfstandig tuinder. Voor dat werk is hij ongeschikt geworden in verband met elleboog- en nekklachten.

Aan hem is met ingang van 3 oktober 1991 een uitkering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en 55 tot 65% voor de WAO.

1.2. Bij besluiten van 18 oktober 2007 heeft het Uww de uitkeringen van appellant met ingang van 19 december 2007 ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 27 februari 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

1.4. Namens appellant is tegen het besluit van 27 februari 2008 beroep ingesteld.

1.5. Omdat dit besluit voor wat betreft de arbeidskundige grondslag niet juist was, heeft de rechtbank het beroep bij ongedateerde uitspraak, verzonden op 27 mei 2009, gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij is aan het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op de bezwaren te nemen. De rechtbank heeft in de uitspraak vermeld dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) door haar in stand is gelaten en appellant erop gewezen dat hij tegen de uitspraak hoger beroep dient in te stellen indien hij het met het oordeel van de rechtbank over de FML niet eens is.

1.6. Het Uwv heeft, uitvoering gevend aan de uitspraak van de rechtbank, bij besluit van 19 juni 2009 opnieuw op appellants bezwaren beslist.

Daarbij is, met gegrondverklaring van het bezwaar in zoverre, de WAO-uitkering van appellant met ingang van 19 december 2007 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het bezwaar tegen de beslissing met betrekking tot de WAZ-uitkering van appellant is ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 juni 2009 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, daarbij vaststellend dat de signaleringen eerst tijdens het beroep bij de rechtbank voldoende zijn toegelicht. Nu die toelichting door de rechtbank afdoende is bevonden, heeft zij bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat appellant geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de op 27 mei 2009 verzonden uitspraak van de rechtbank, zodat nog slechts de arbeidskundige beoordeling binnen de omvang van het geding valt. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat

artikel 35, zesde lid, van de WAZ niet op appellant van toepassing is.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij op basis van het aangepaste Schattingsbesluit werknemersverzekeringen is beoordeeld op data die liggen vóór 22 februari 2007, zodat herbeoordeling, gelet op het bepaalde in artikel 35, zesde lid, van de WAZ, niet mogelijk was. Ook heeft hij betwist dat de geduide functies geschikt voor hem zijn.

4.1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de aangevallen uitspraak en de daartegen aangevoerde beroepsgronden het uitgangspunt. Gelet daarop heeft de Raad zich te buigen over de vragen of de rechtbank met juistheid tot het oordeel is gekomen dat artikel 35, zesde lid, van de WAZ er niet aan in weg stond dat appellant door het Uwv werd beoordeeld en of de rechtbank terecht heeft aangenomen dat de bij de voor appellant geschikt geachte functies voorkomende overschrijdingen (uiteindelijk) voldoende door het Uwv zijn toegelicht.

4.2. De Raad stelt vast dat de door appellant in hoger beroep met betrekking tot deze vragen naar voren gebrachte gronden in essentie een herhaling vormen van de gronden die bij de rechtbank zijn ingediend en waarover de rechtbank heeft geoordeeld. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze gronden en de door de rechtbank daaruit getrokken conclusies en maakt deze tot de zijne. Hij voegt daar volledigheidshalve nog aan toe dat artikel 35, zesde lid, van de WAZ niet bepaalt dat herbeoordelingen in de situatie waarin appellant verkeert niet mogelijk zijn, maar slechts dat herbeoordeling voor een bepaalde groep uitkeringsgerechtigden verplicht is. Dat appellant, indien hij wel vóór 22 februari 2007 zou zijn herbeoordeeld, zou hebben behoord tot de groep die uitdrukkelijk van die verplichting is uitgezonderd, betekent niet dat hij niet zou mogen worden herbeoordeeld. Appellants stellingen dat hij niet zou mogen worden herbeoordeeld berusten op onjuiste lezing van deze bepaling. In dit verband wijst de Raad op bijvoorbeeld zijn uitspraak van 21 april 2010, LJN BM3149.

4.3. De ter zittingen van de Raad nader toegelichte arbeidskundige gronden van het hoger beroep kunnen naar het oordeel van de Raad niet slagen. De in het dossier aanwezige gegevens, met de op verzoek van de Raad bij brief van 6 mei 2011 (met bijlagen) daarop door het Uwv verstrekte nadere toelichting, leiden - thans - tot de conclusie dat de schatting ook op de arbeidskundige aspecten voldoende zorgvuldig tot stand gekomen is. Dat geldt zowel voor de toelichting op de signaleringen bij de functie monteur 1 als de toelichting op de reden van het gebruik van het resultaat functiebeoordeling van 12 september 2007 voor de functie afbiester.

4.4. De Raad wijst er in navolging van de rechtbank op dat aan de aan de schatting ten grondslag liggende medische aspecten, met betrekking waartoe ter zitting van de Raad (nieuwe) beroepsgronden naar voren zijn gebracht, geen aandacht kan worden besteed in de onderhavige procedure. De rechtbank heeft in haar ongedateerde, op 27 mei 2009 verzonden uitspraak de tegen deze aspecten gerichte beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen, zodat, nu tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingesteld, van de juistheid van de oordelen van de rechtbank op die punten moet worden uitgegaan.

4.5. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 111,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) M.D.F. de Moor.

GdJ