Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7423

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
10-3164 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3164 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 april 2011, 09/6565 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Vaessen, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving vanwege beperkingen in verband met chronische pijnklachten sedert 18 mei 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 6 maart 2009 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 7 mei 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 5 augustus 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 7 mei 2009 vastgesteld op 25 tot 35%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant ten gevolge van zijn klachten diverse beperkingen ondervindt, vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), maar dat hij in staat is tot het verrichten van fysiek lichte arbeid, waarvan hem enkele voorbeelden zijn voorgehouden.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de beperkingen, opgenomen in de in bezwaar aangepaste FML, op een deugdelijke medische grondslag berusten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Evenmin zijn er aanknopingspunten dat het medisch oordeel niet juist zou zijn. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat appellant lijdt aan pijnklachten van het gehele bewegingsapparaat, welke aandoening moeilijk te objectiveren is, zo blijkt ook uit de informatie van de behandelende specialisten. Hij heeft geconcludeerd dat appellant is aangewezen op fysiek licht belastend werk. De rechtbank volgt appellant niet in zijn stelling dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat. Bij hun onderzoek hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen geen duidelijk aanwijzingen gevonden voor psychopathologie. Naar aanleiding van de in beroep overgelegde informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat deze informatie een beschrijving van klachten bevat, maar zeker niet wijst op een welomschreven en geobjectiveerd psychiatrisch ziektebeeld. De rechtbank heeft geen aanknopingspunt gevonden te twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. Door appellant is onvoldoende concreet gemaakt dat zijn klachten zouden kunnen voortkomen uit een psychische stoornis en de in het dossier aanwezige informatie bevat hiervoor onvoldoende aanwijzingen. Ten aanzien van appellants stelling dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een medische urenbeperking, heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Appellant kampt weliswaar met verschillende beperkingen, maar er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er sprake is van een dusdanig ernstig te objectiveren afwijkingen dat er op energetische of preventieve gronden een urenbeperking dient te worden gesteld.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de (na bezwaar resterende) geduide functies op goede gronden voor de schatting heeft gebruikt. De belasting van deze functies past binnen de aangepaste FML. Afdoende is gemotiveerd dat deze functies voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn te achten.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de uitvoerige, hiervoor onder 2.1 weergegeven, overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ook de Raad is uit het geheel van de voorliggende medische gegevens niet gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv bij de vaststelling van de beperkingen van appellant onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn klachten noch dat er overigens sprake is van een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep medische gegevens ingebracht die steun bieden voor het oordeel dat hij op objectieve gronden meer beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld.

3.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen, ziet de Raad, evenals de rechtbank, genoegzaam steun voor het oordeel dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid niet te boven gaat en dat hij met zijn beperkingen in staat moet worden geacht deze functies te vervullen. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling met betrekking tot de functie van doktersassistente, dat het hem vanwege persoonlijke kenmerken niet mogelijk is te werken volgens de uit de functieomschrijving blijkende hygiënenormen. Nu niet is gebleken dat appellant op medische gronden niet in staat zou zijn de werkzaamheden in deze functie te verrichten, heeft het Uwv op goede gronden deze functie voor appellant in medisch opzicht geschikt geacht.

3.3.1.Ook de (eerst in hoger beroep) aangevoerde grond van appellant dat de vaststelling van de maatman en het maatmaninkomen niet juist is, slaagt niet.

3.3.2. De Raad stelt vast dat in het dossier de arbeidskundige gegevens die aan de toekenning van de WAO-uitkering met ingang van 18 mei 1993 ten grondslag liggen ontbreken en dat er evenmin zich arbeidskundige rapporten in het dossier bevinden van vóór de herbeoordeling in 2009. Verder heeft het Uwv in verweer naar aanleiding van deze hoger beroepsgrond te kennen gegeven dat inmiddels ook de gegevens waarop de primaire arbeidsdeskundige R.R.D. Kooyman, volgens zijn rapport van 5 maart 2009 zijn vaststelling heeft gebaseerd, niet langer vindbaar zijn.

3.3.3. In zijn rapport van 5 maart 2009 heeft Kooyman op basis van de aanwezige gegevens en toelichting van appellant de maatman vastgesteld op de elektromonteur die via IQ Uitzendbureau BV te Den Haag gemiddeld 32,18 uur per week werkzaam was. Ter ondersteuning heeft het Uwv in verweer ook gewezen op de stukken die zijn opgemaakt naar aanleiding van een ziekmelding van appellant met ingang van 21 mei 2010, waarbij de gegevens omtrent het vroegere beroep mede zijn ontleend aan de van appellant verkregen inlichtingen. Gelet hierop en gelet op het feit dat appellant in hoger beroep zijn betwisting van de vaststelling van de maatgevende arbeid niet nader heeft geconcretiseerd, gaat de Raad uit van de juistheid van de door Kooyman gedane vaststelling van de maatman.

3.3.4. Met betrekking tot de vaststelling van het maatmaninkomen heeft Kooyman blijkens zijn rapport van 5 maart 2009 gebruik gemaakt van de gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan de dagloonvaststelling per 18 mei 1993. Uitgaande van de dagloonberekening heeft Kooyman het maatmaninkomen vastgesteld en vervolgens geïndexeerd naar de datum in geding tot een bedrag van € 14,11 bruto per uur all-in. In bezwaar heeft bezwaararbeidsdeskundige A. Diepenhorst te kennen gegeven geen grond te hebben gevonden om aan de juistheid van de vaststelling van het maatmaninkomen door Kooyman te twijfelen. Daarbij heeft Diepenhorst opgemerkt dat dossieronderzoek uitwees dat in de maatgevende arbeid geen structurele nachtarbeid werd verricht. Appellant heeft in bezwaar en beroep het rapport van Kooyman en de daarin gemaakte, concrete berekeningen van het maatmaninkomen niet bestreden. Appellant heeft eerst in hoger beroep gesteld dat het maatmaninkomen niet juist zou zijn, maar zijn betwisting niet nader geadstrueerd. Zo heeft hij ter zitting niet kunnen onderbouwen welke toeslag in de vaststelling van het maatmaninkomen zou ontbreken. Evenmin heeft hij zijn standpunt met enig schriftelijk stuk ondersteund. De Raad heeft dan ook, in navolging van het Uwv, geen reden gevonden niet uit te gaan van de juistheid van het door Kooyman berekende en door Diepenhorst geaccordeerde maatmaninkomen.

3.4. Uit hetgeen onder 3.1 tot en met 3.3.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

KR