Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
09-4618 WWB + 09-6003 WWB + 10-4584 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Terugvordering. Overschrijding toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Schending inlichtingenverplichting. Vernietiging van de aangevallen uitspraak omdat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden. Appellant heeft ten aanzien van de eerste ter beoordeling staande periode niet aannemelijk gemaakt dat het tegoed op de Fortis-rekening niet aan hem toebehoorde, maar aan zijn ouders. Ten aan zien van de tweede ter beoordeling staande periode is de grondslag van de intrekking onjuist omdat de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen niet meer wordt overschreden. Appellant heeft echter, mede gelet op de wisselende verklaringen die hij heeft afgelegd over de besteding van het geld, de verklaringen die zijn ouders tijdens verhoor hebben afgelegd en het ontbreken van verifieerbare gegevens, niet aannemelijk gemaakt dat de kasopname van € 109.000,- is aangewend op de door hem gestelde wijze. Door het verzwijgen van de rekening bij Fortisbank, het tegoed op deze rekening, de kasopname en de niet eenduidige verklaringen die appellant heeft afgelegd over de besteding van de kasopname heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand over de tweede ter beoordeling staande periode niet kan worden vastgesteld. Weigering bijstand. Niet is komen vast te staan wat er met kasopname van € 109.000,-- is gebeurd waarmee appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor niet kan worden vastgesteld of hij in de twee afzonderlijk voorliggende beoordelingsperiodes in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4618 WWB

09/6003 WWB

10/4584 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2009, 08/4756 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 22 september 2009, 09/1750 (hierna: aangevallen uitspraak 2) en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2010, 10/2743 en 10/2744 (hierna: aangevallen uitspraak 3),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraken 1 en 2 en heeft mr. M. Westerveld, eveneens advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 3. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 is geregistreerd onder nummer 09/4618 WWB, het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 onder nummer 09/6003 WWB en het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3 onder 10/4584 WWB.

Het College heeft in elk van de zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mrs. Westerveld en Willering. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 19 september 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. De bijstand is met ingang van 1 april 2008 ingetrokken omdat de inkomsten uit arbeid van appellant hoger waren dan de voor hem toepasselijke bijstandsnorm.

1.2. Naar aanleiding van een vermogenssignaal van het Inlichtingenbureau dat appellant beschikt over een rekening bij de Fortisbank met daarop een tegoed van € 107.769,-- op 31 december 2005 heeft de afdeling Opsporing van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit het opvragen van gegevens bij Fortisbank, het verhoor van appellant op 7 februari 2008 en 19 maart 2008, het verhoor van de vader van appellant op 21 februari 2008 en het verhoor van de moeder van appellant op 1 april 2008. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het proces-verbaal van 7 april 2008.

1.3. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 21 april 2008 de bijstand van appellant over de periode van 19 september 2005 tot en met 31 maart 2008 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 30.858,73 (over de periode 19 september 2005 tot en met 31 december 2007 € 27.222,97 bruto, over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2008 € 2.290,74 netto en € 1.345,02 aan bijzondere bijstand) van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 20 oktober 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 april 2008 ongegrond verklaard. Aan het besluit op bezwaar ligt in het bijzonder ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van de bankrekening bij Fortisbank en van het tegoed op die rekening en dat hij in de periode van 19 september 2005 tot en met 31 maart 2008 geen recht had op bijstand omdat zijn vermogen hoger was dan de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Bij besluit van 6 februari 2009 heeft het College het besluit van 20 oktober 2008 gewijzigd in die zin dat de terugvordering van € 1.345,02, zijnde de door appellant ontvangen trajectvergoeding, komt te vervallen.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 oktober 2008, zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 2009, (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aan de voorwaarde voor intrekking van de bijstand, schending van de inlichtingenverplichting waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant de rekening bij Fortisbank verzwegen en heeft hij ten aanzien van de herkomst alsmede de eigendom van het geld op die rekening geen verifieerbare dan wel anderszins aannemelijke verklaring gegeven.

3. Appellant heeft zich op 17 september 2008 gemeld voor het aanvragen van bijstand. Op 19 november 2008 en 9 december 2008 heeft appellant tegenover medewerkers van de DWI een verklaring afgelegd over de herkomst van het tegoed op de rekening bij Fortisbank en de besteding van het bedrag van € 109.000,-- dat op 19 januari 2006 in contanten van deze rekening is opgenomen. Bij besluit van 11 december 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 25 maart 2009, heeft het College de aanvraag om bijstand afgewezen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt wat hij met het opgenomen bedrag van € 109.000,-- heeft gedaan, zodat wordt aangenomen dat hij nog over (een deel van) dat vermogen beschikt en derhalve niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

4. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank, met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 25 maart 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet vaststaat dat appellant in de beoordelingsperiode (17 september 2008 tot en met 11 december 2008) beschikte over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens, zodat het besluit van 25 maart 2009 op een onjuiste grondslag berust en derhalve voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het besluit van 25 maart 2009 in stand gelaten en daartoe overwogen dat niet is komen vast te staan wat er met het op 19 januari 2006 opgenomen bedrag van € 109.000,-- is gebeurd en dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor niet kan worden vastgesteld of hij ten tijde hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

5. Op 9 februari 2010 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van 4 maart 2010, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 28 mei 2010, heeft het College afwijzend beslist op deze aanvraag. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de kasopname van € 109.000,-- op 19 januari 2006 en hij over de besteding van dit bedrag geen verifieerbare gegevens heeft overgelegd. Daardoor heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

6. Bij de aangevallen uitspraak 3, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 28 mei 2010 ongegrond verklaard.

7. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen aangevallen uitspraak 1, tegen aangevallen uitspraak 2 voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 25 maart 2009 in stand zijn gelaten en tegen aangevallen uitspraak 3, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 28 mei 2010 ongegrond is verklaard.

09/4618 WWB

8. De Raad komt in deze zaak tot de volgende beoordeling.

8.1. De Raad stelt eerst - ambtshalve oordelend - vast dat de rechtbank zijn oordeel over de intrekking van de bijstand van appellant over de periode van 19 september 2005 tot en met 31 maart 2008 niet heeft gebaseerd op de door het College aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde grond. De rechtbank heeft geoordeeld dat het recht op bijstand van appellant over deze periode als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld, terwijl aan het bestreden besluit ten grondslag ligt dat appellant over die periode geen recht op bijstand had omdat hij beschikte over een vermogen dat de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschreed. Naar vaste rechtspraak van de Raad verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat geding uitbreidt.

8.2. De Raad ziet, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste lid, van de Awb van openbare orde is, reeds in het voorafgaande aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen.

8.3. De Raad zal vervolgens doen wat de rechtbank zou behoren te doen. De Raad ziet aanleiding eerst de intrekking van de bijstand over de periode van 19 september 2005 tot en met 19 januari 2006 te beoordelen en vervolgens de intrekking van bijstand over de periode van 20 januari 2006 tot en met 31 maart 2008.

de periode van 19 september 2005 tot en met 19 januari 2006

8.4.1. Vaststaat dat de bewuste rekening bij Fortisbank op naam van appellant stond, dat hij over het tegoed op deze rekening kon beschikken en dat het saldo op deze rekening in deze periode beduidend hoger was dan de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Appellant heeft het College nimmer van het bestaan van deze rekening en van het tegoed op deze rekening in kennis gesteld. Appellant heeft derhalve de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden.

8.4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 21 oktober 2008, LJN BG1394, rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een bijstandsontvanger de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

8.4.3. De Raad is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat, zoals hij stelt, het tegoed op de Fortis-rekening niet aan hem toebehoorde, maar aan zijn ouders. Uit de gedingstukken blijkt niet op welke wijze het tegoed op deze rekening tot stand is gekomen, terwijl er geen aanwijzingen bestaan dat de ouders bedragen op deze rekening hebben gestort. De vader van appellant heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij niet op de hoogte was van deze bankrekening en dat het tegoed op deze rekening niet van hem afkomstig was. De moeder van appellant heeft tijdens haar verhoor eveneens ontkend dat de op deze rekening gestorte bedragen van haar afkomstig waren. Beide ouders hebben afzonderlijk van elkaar verklaard dat de opbrengst van de verkoop van coffeeshop-eethuis [naam coffeeshop] destijds volledig is aangewend ter aflossing van de bestaande schulden. Daarbij tekent de Raad aan dat appellant, zoals blijkt uit het door hem ondertekende proces-verbaal, tijdens zijn verhoor op 7 februari 2008 heeft verklaard dat hij wel eens geld op deze rekening heeft gestort toen hij nog werkte en inkomsten had. Derhalve moet worden aangenomen dat het tegoed op de rekening bij Fortisbank een bestanddeel vormde van het vermogen van appellant waarover hij heeft beschikt en dat appellant, gelet op de omvang van zijn vermogen, in deze periode geen recht op bijstand had.

de periode van 20 januari 2006 tot en met 31 maart 2008

8.5.1. Appellant heeft op 19 januari 2006 van de rekening bij Fortisbank € 109.000,-- in contanten opgenomen. Met het resterende tegoed op de Fortisrekening en de overige vermogensbestandelen van appellant werd de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen niet overschreden. Door de kasopname kan niet worden vastgesteld of appellant in de onderhavige periode beschikte over een vermogen dat de toepasselijke vermogensgrens overschreed. Daaruit vloeit voort dat het bestreden besluit voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over deze periode op een onjuiste grondslag berust en in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.

8.5.2. Appellant voert aan, zoals toegelicht ter zitting van de Raad, dat hij direct na de kasopname het bedrag van € 109.000,-- op 19 januari 2006 aan zijn vader heeft gegeven, die het op zijn beurt in het kader van de boedelscheiding na echtscheiding aan zijn voormalige echtgenote, appellants moeder, heeft gegeven. De moeder van appellant heeft dit bedrag aangewend voor de aankoop van een appartement in Cairo op 1 mei 2006, waarvan de koopsom € 108.500,-- bedroeg. In dit verband wijst appellant op de schriftelijke verklaring van zijn moeder uit maart 2009 en de originele en vertaalde documenten ten bewijze van de aankoop van dat appartement in mei 2006.

8.5.3. De Raad is evenwel van oordeel dat appellant, mede gelet op de wisselende verklaringen die hij heeft afgelegd over de besteding van het geld, de verklaringen die zijn ouders tijdens verhoor hebben afgelegd en het ontbreken van verifieerbare gegevens, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kasopname van € 109.000,-- is aangewend op de door hem gestelde wijze.

8.5.4. Op 7 februari 2008 heeft appellant verklaard dat hij niet wist of zijn vader het opgenomen bedrag heeft meegenomen naar Egypte, waar zijn vader een appartement heeft. Op 9 december 2008 heeft appellant verklaard dat hij het bedrag in coupures van € 500,-- heeft opgenomen omdat zijn vader dat geld mee zou nemen naar het buitenland. De vader van appellant heeft tijdens zijn verhoor ontkend dat het tegoed op de Fortisrekening hem toebehoort en dat hij geld van appellant heeft ontvangen. Appellant heeft verklaard dat hij na de overhandiging van het geld aan zijn vader geen contact meer heeft gehad met zijn vader, terwijl zijn vader heeft bevestigd dat hij appellant al vier jaar niet heeft gezien en nog steeds ruzie met appellant heeft. De moeder van appellant heeft tijdens haar verhoor verklaard dat zij geen idee had hoe appellant aan het geld op de rekening is gekomen en dat het in ieder geval niet van haar of haar ex-echtgenoot was. Eerst tijdens de hoorzitting op 9 maart 2009 heeft appellant aangegeven dat zijn moeder bij de echtscheiding het geld van zijn vader heeft gekregen en dat zij daarmee een appartement heeft gekocht. Ook bij die gelegenheid heeft appellant verklaard dat hij zijn vader nooit meer ziet. Aan de schriftelijke verklaring van de moeder van appellant uit maart 2009 dat zij begin 2006 € 108.500,-- van appellant heeft ontvangen hecht de Raad geen betekenis, omdat daarmee in feite wordt teruggekomen van de verklaring die zij tijdens haar verhoor heeft afgelegd. Appellant erkent dat de nieuwe verklaring van zijn moeder tegenstrijdig is met hetgeen zij tijdens verhoor heeft meegedeeld, maar heeft daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven. De Raad acht de gestelde slechte beheersing van de Nederlandse taal door appellants moeder, gelet op duidelijke antwoorden die zij tijdens het verhoor op de haar gestelde vragen heeft gegeven, daarvoor ontoereikend. Bovendien strookt deze verklaring niet met de herhaalde opgave van appellant dat hij het bedrag op 19 januari 2006 aan zijn vader heeft overhandigd. Daargelaten of de overgelegde documenten daadwerkelijk keihard bewijzen, zoals appellant stelt, dat zijn moeder tegen betaling van € 108.500,-- eigenaresse is geworden van een appartement in Cairo, is niet aangetoond dat dit bedrag afkomstig is van appellant. De omstandigheid dat het bedrag nagenoeg overeenkomt met de kasopname en er geen aanwijzingen bestaan dat op het onroerend goed een hypotheek rust waarmee de aankoop is gefinancierd, is ontoereikend om aan te nemen dat de kasopname besteed is door de moeder van appellant. Derhalve is onduidelijk gebleven wat er met de kasopname van € 109.000,-- is gebeurd en of, en zo ja op welke wijze, dit bedrag is besteed.

De bewijsnood waarin appellant stelt te verkeren, omdat hij niet in staat is om bewijsmateriaal in de procedure te brengen die zijn standpunt onderbouwen, heeft hij met de schending van de inlichtingenverplichting over zichzelf afgeroepen en dient dan ook voor zijn rekening te blijven.

8.5.5. Door het verzwijgen van de rekening bij Fortisbank, het tegoed op deze rekening, de kasopname op 16 januari 2006 en de niet eenduidige verklaringen die appellant heeft afgelegd over de besteding van de kasopname heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand over de onderhavige periode niet kan worden vastgesteld.

8.6. De omstandigheid dat de strafrechter appellant terzake van schending van de inlichtingenverplichting over de periode van 19 september 2005 tot en met 31 maart 2008 schuldig heeft verklaard zonder oplegging van straf of maatregel omdat, zoals aangevoerd, niet bewezen is verklaard dat hij over een vermogen heeft beschikt hoger dan het vrij te laten vermogen, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

8.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de periode van 19 september 2005 tot en met 31 maart 2008 in te trekken. De wijze van gebruik maken van deze bevoegdheid kan buiten bespreking blijven, nu daaromtrent geen zelfstandige beroepsgronden zijn aangevoerd.

8.8. Appellant heeft evenmin zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 19 maart 2005 tot en met 31 maart 2008, zodat dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking behoeft.

09/6003 WWB

9. De Raad komt in deze zaak tot de volgende beoordeling.

9.1. In dit geding is de vraag aan de orde of de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 maart 2009 terecht in stand heeft gelaten op de grond dat niet is komen vast te staan wat er met kasopname van € 109.000,-- is gebeurd en dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor niet kan worden vastgesteld of hij in de voorliggende beoordelingsperiode 17 september 2008 tot en met 11 december 2008 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

9.2. De Raad is, zoals hiervoor overwogen in 8.5.3 tot en met 8.5.5, met de rechtbank van oordeel dat gelet op de wisselende verklaringen van appellant en het ontbreken van verifieerbare gegevens appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag van

€ 109.000,-- is besteed op de door hem gestelde wijze, waardoor niet kan worden vastgesteld of appellant in de hier te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

9.3. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

10/4584 WWB

10. De Raad komt in deze zaak tot de volgende beoordeling.

10.1. In dit geding is de vraag aan de orde of appellant door geen duidelijkheid te verstrekken wat er met de kasopname van € 109.000,-- op 19 januari 2006 is gebeurd de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, waardoor niet kan worden vastgesteld of hij in de onderhavige beoordelingsperiode van 9 februari 2010 tot en met

4 maart 2010 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

10.2. De Raad beantwoordt deze vraag, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 8.5.3 tot en met 8.5.5, bevestigend. De omstandigheid dat sinds de kasopname vier jaren zijn verstreken betekent niet, zoals appellant meent, dat op het College de bewijslast is komen te rusten om aan te tonen dat het bedrag van de opname nog tot het vermogen van appellant behoort of dat het College in Egypte onderzoek moet laten verrichten over de wijze waarop de moeder van appellant de aankoop van het appartement heeft gefinancierd. Ook al is bij de aankoop van het appartement € 108.500,-- contant betaald en rust op dit onroerend goed geen hypotheek, dan nog is daarmee niet gegeven dat de kasopname nagenoeg geheel is aangewend voor de koop van dit appartement. Naar het oordeel van de Raad is, gelet op de periode waarin appellant met het bedrag van € 109.000,-- in zijn levensonderhoud had kunnen voorzien, het tijdsverloop tussen de kasopname en de onderhavige beoordelingsperiode niet zodanig dat het College de onduidelijkheid of, en zo ja op welke wijze, dit bedrag is besteed, appellant niet mag tegenwerpen.

10.3. Uit hetgeen in 10.2 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 3, voor zover aangevochten, eveneens dient te worden bevestigd.

Tot slot

11. De Raad ziet aanleiding het College uitsluitend te veroordelen in de proceskosten van appellant in het geding 09/4618 WWB. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

09/4618 WWB

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 20 oktober 2008, zoals gewijzigd bij besluit van 6 februari 2009, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 20 januari 2006 tot en met 31 maart 2008;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dit besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, waarvan € 644,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het door hem in deze procedure in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 151,-- vergoedt.

09/6003 WWB

Bevestigt de aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten.

10/4584 WWB

Bevestigt de aangevallen uitspraak 3 voor zover aangevochten

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman

(get.) I. Mos

RB