Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7332

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
09-6375 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode in geding niet heeft kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Hierbij zijn de kasstortingen op de bankrekening van appellant, de financiële ondersteuning door derden en de inkomsten uit onderhuur en werkzaamheden in aanmerking genomen. Appellant heeft over de herkomst van de kasstortingen geen afdoende, consistente verklaring heeft gegeven. Uit de door appellant overgelegde verklaringen is niet af te leiden dat sprake is van een concrete terugbetalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6375 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 oktober 2009, 09/409 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. van Vliet, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vliet. Als tolk is verschenen M.A. van Schaik. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 16 juni 2005 heeft appellant zich bij de Centrale organisatie voor werk en inkomen (CWI) gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de Wet werk en bijstand. Aangezien appellant niet over een geldige verblijfstitel beschikte, is hem bij die gelegenheid meegedeeld dat hij geen recht op bijstand had. Op 6 december 2005 heeft appellant zich wederom bij het CWI gemeld, aangezien hem inmiddels met terugwerkende kracht tot 25 mei 2004 een verblijfsvergunning was verleend. Hierop heeft het College hem bij besluit van 10 januari 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 mei 2006, met ingang van 16 juni 2005 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 8 januari 2007, 06/2977, het beroep tegen het besluit van 2 mei 2006 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 27 mei 2008, LJN BD3227, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 2 mei 2006 vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad. De Raad heeft bij deze uitspraak overwogen dat in het geval van appellant sprake is van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening voorafgaande aan de meldingsdatum van 16 juni 2005 rechtvaardigen en dat dient te worden bezien of, en zo ja in hoeverre, appellant over de periode van 12 augustus 2004 tot 16 juni 2005 voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van bijstand.

1.3. Het College heeft ter uitvoering van de uitspraak van de Raad bij besluit van 28 oktober 2008, aangevuld bij besluit van 19 december 2008, het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant in de periode van 12 augustus 2004 tot 16 juni 2005 (hierna: periode in geding) in de kosten van zijn bestaan heeft kunnen voorzien en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daarvoor schulden heeft moeten maken. Het College heeft hierbij in aanmerking genomen dat in de gehele periode in geding regelmatig, nagenoeg maandelijks, kasstortingen op de bankrekening van appellant zijn gedaan tot een totaalbedrag van € 5.310,--. Tevens heeft het College daarbij betrokken dat appellant inkomsten uit onderhuur en vanaf 1 april 2005 inkomsten uit werkzaamheden ontving. Deze inkomsten beliepen vanaf 1 april 2005 een bedrag van ongeveer € 700,-- per maand. De door appellant overgelegde, op de periode in geding betrekking hebbende verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] acht het College onvoldoende concreet om de hierin genoemde financiële bijdragen aan appellant, in totaal een bedrag van € 5.485,--, als leningen te kunnen aanmerken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard en het standpunt van het College onderschreven dat er geen aanleiding is om voorafgaande aan 16 juni 2005 bijstand te verlenen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij heeft voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van bijstand. Met het College is de rechtbank van oordeel dat appellant daarin niet is geslaagd.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij gelden van derden heeft moeten lenen om in de periode in geding in de bestaanskosten te voorzien. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst hij op de aan het College overgelegde, onder 1.3 genoemde verklaringen. Voor wat betreft de bewijslast heeft appellant aangevoerd dat het op de weg van het College ligt om aannemelijk te maken dat hij de beschikking had over middelen waarmee hij in de bestaanskosten heeft kunnen voorzien. Voorts dient naar de mening van appellant het College niet al te zware eisen aan de bewijslast ten aanzien van de schulden te stellen, gelet op de tijd die inmiddels is verstreken tussen de periode in geding en de besluitvorming naar aanleiding van de uitspraak van de Raad op 27 mei 2008.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de vraag voorligt of appellant in de periode in geding verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad, gewezen kan bijvoorbeeld worden op de uitspraak van 24 mei 2011, LJN BQ8031, is in de situatie, zoals die van appellant, waarin op grond van het alsnog verlenen van een verblijfsvergunning bijstandsverlening met terugwerkende kracht aan de orde is, het aan de belanghebbende aannemelijk te maken dat hij gedurende de periode waarop de terugwerkende kracht ziet niet in de noodzakelijke kosten van bestaan heeft kunnen voorzien. De belanghebbende dient dan aannemelijk te maken dat derden door middel van leningen feitelijk in zijn bestaanskosten hebben voorzien en dat hij om die reden een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting is aangegaan.

4.3. Het standpunt van appellant dat het College moet bewijzen dat hij heeft kunnen voorzien in zijn bestaanskosten, kan de Raad, gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, niet volgen. De Raad ziet evenmin aanleiding hiervan op basis van het door appellant naar voren gebrachte tijdsverloop af te wijken.

4.4. De Raad komt met de rechtbank en het College tot het oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode in geding niet heeft kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Met de rechtbank en het College neemt de Raad hierbij de kasstortingen op de bankrekening van appellant, de financiële ondersteuning door derden en de inkomsten uit onderhuur en werkzaamheden in aanmerking. De Raad acht daarbij van belang dat appellant over de herkomst van de kasstortingen geen afdoende, consistente verklaring heeft gegeven. Tevens komt ook de Raad tot het oordeel dat uit de onder overweging 1.3 genoemde verklaringen, nog daargelaten dat deze achteraf zijn opgesteld en geen inzicht geven in welke bedragen wanneer en op welke wijze daadwerkelijk aan appellant zijn verstrekt, is af te leiden dat geen sprake is van een concrete terugbetalingsverplichting zoals bedoeld in overweging 4.2. Voor zover deze verklaringen al zien op een terugbetalingsverplichting, is deze verplichting afhankelijk gesteld van het moment waarop appellant over de middelen tot terugbetaling beschikt. Overigens wijst de Raad in dit verband nog op de schriftelijke uiteenzetting die appellant bij brief van 5 augustus 2008 aan het College heeft verstrekt en waarin hij uiteenzet dat derden hem geld hebben geleend en dat hij met hen heeft afgesproken dat hij zal beginnen met het inlossen van de schuld, zodra hij meer financiële ruimte heeft. Ook uit die brief kan niet worden afgeleid dat aan de schulden een concrete terugbetalingsverplichting was verbonden.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er voor het College geen grond was om eerder dan met ingang van 16 juni 2005 bijstand te verlenen. Het hoger beroep van appellant kan dan ook niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) I. Mos.

IJ