Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
10-3855 WWB + 10-3856 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het College was na de geboorte van de dochter van appellanten op de hoogte van hun feitelijke woon- en leefsituatie, zodat zij er redelijkerwijs van konden uitgaan dat zij daarvan niet onverwijld en ongevraagd melding meer hadden moeten doen. Geen sprake van schending inlichtingenverplichting. Onjuiste bevoegdheidsgrondslag voor de herziening van de bijstand. Het College was niet bevoegd de over de periode van 2 augustus 2007 tot en met 31 oktober 2008 gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen en van appellant mede terug te vorderen. Vernietigt de besluiten van 23 september 2009 behalve voor zover deze betreffen de herziening van de bijstand over de periode van 1 november 2006 tot 26 augustus 2007. Bepaalt dat het College nieuwe besluiten op bezwaar neemt voor zover het betreft de herziening van de bijstand over de periode van 2 augustus 2007 tot en met 31 oktober 2008 en de terugvordering en medeterugvordering, met inachtneming van deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/21

Uitspraak

10/3855 WWB

10/3856 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats 1], (hierna: appellante) en [Appellant], wonende te [woonplaats 2], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 mei 2010, 09/1052 en 09/1053 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Oldambt (hierna: dagelijks bestuur), thans het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt (hierna: het College)

Datum uitspraak: 24 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Het College oefent met ingang van 1 januari 2010 de bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen werden uitgeoefend door het dagelijks bestuur. In deze uitspraak wordt onder College mede het dagelijks bestuur verstaan.

Namens appellanten heeft mr. G.A.Versteegh, advocaat te Zutphen, voor ieder afzonderlijk hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn gevoegd en het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2011. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Versteegh. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Veen, werkzaam bij de gemeente Oldambt.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 14 mei 2006 bijstand ingevolge de WWB naar de norm van een alleenstaande (ouder). Ten tijde in geding stond zij ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) op het adres [adres 1] te [woonplaats 1].

1.2. Appellant ontving sinds 30 augustus 2006 bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande. Ten tijde in geding stond hij ingeschreven in de GBA op het adres [adres 2] te [woonplaats 2].

1.3. In het kader van het project ‘Waterproof’ is door middel van gegevensuitwisseling met het waterbedrijf onderzoek gedaan naar het waterverbruik op - onder meer - het adres van appellant. Hieruit is gebleken dat dit verbruik in de periode van 30 augustus 2006 tot 1 januari 2007 zeer laag - 3 m³ - was. Naar aanleiding hiervan heeft de Sociale Recherche Noord & Oost Groningen (hierna: sociale recherche) op verzoek van het Samenwerkings-verband intergemeentelijke Sociale Dienst Oldambt (hierna: ISGD) een onderzoek ingesteld. In dat kader heeft op 11 september 2007 een gesprek met appellant plaatsgevonden en aansluitend een huisbezoek in zijn woning op het adres [adres 2] te [woonplaats 2]. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat appellant ongeveer drie jaar een relatie heeft met appellante. Ook is gebleken dat uit de relatie van appellanten op 2 augustus 2007 een dochter is geboren, die door appellant is erkend.

Het huisbezoek op 11 september 2007 en het onderzoek naar het dossier van appellante zijn aanleiding geweest voor een onaangekondigd huisbezoek op 27 september 2007 op het woonadres van appellante, [adres 1] te [woonplaats 1]. Voorts hebben medewerkers van de ISGD op 1 en 5 oktober 2007 gesprekken met appellanten gevoerd over hun woon- en leefsituatie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage die is afgesloten op 9 oktober 2007. Op grond van de bevindingen is besloten in januari/februari 2008 een heronderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellanten te doen.

1.4. Op 4 juni 2008 is appellante uitgenodigd voor een re-integratiegesprek in het gebouw van het ISGD en heeft er een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden op het adres van appellante omdat zij niet op de uitnodiging verscheen. Op 13 juni 2008 is een anonieme tip ontvangen inhoudende dat appellant handelt in harddrugs en met appellante samenwoont. Hierna heeft nader onderzoek plaatsgevonden naar de woon- en leefsituatie van appellanten. In dat kader is informatie ingewonnen bij verschillende instanties, waaronder de Rijksdienst voor het wegverkeer, de energiemaatschappij Oxxio en de woningbouwvereniging Acanthus. Tevens is het Bedrijfsprocessensysteem van de regiopolitie Groningen geraadpleegd en zijn in de periode van 5 tot en met 17 juni 2008 en van 1 september 2008 tot en met 18 november 2008 waarnemingen gedaan op de adressen van appellanten in [woonplaats 1] en [woonplaats 2]. Op 24 november 2008 zijn appellanten door de rechercheurs van de sociale recherche verhoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal dat op 9 december 2008 is afgesloten. Op grond van deze resultaten heeft het College geconcludeerd dat appellanten sinds

1 november 2006 een gezamenlijke huishouding voeren. Appellanten hadden vanaf die datum recht op bijstand naar de norm voor een gezin en aan hen is volgens het College in de periode van 1 november 2006 tot en met 31 oktober 2008 ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder) uitbetaald.

1.5.1. Bij besluit van 26 januari 2009 heeft het College de uitkering van appellante vanaf 1 november 2006 herzien naar de norm voor een gehuwde en de kosten van ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van 1 november 2006 tot en met 31 oktober 2008 van haar teruggevorderd tot een bedrag van € 12.670,25. Appellanten zijn hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van deze kosten van bijstand.

1.5.2. Bij besluit van eveneens 26 januari 2009 heeft het College de ten onrechte aan appellante verstrekte bijstand over de periode van 1 november 2006 tot en met 31 oktober 2008 tot een bedrag van € 12.670,35 mede van appellant teruggevorderd.

1.6.1. Bij een derde besluit van 26 januari 2009 heeft het College de uitkering van appellant met ingang 1 november 2006 herzien naar de norm voor een gehuwde en de kosten van ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van 1 november 2006 tot en met 31 oktober 2008 van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 9.199,83.

Appellanten zijn hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van deze kosten van bijstand.

1.6.2. Bij besluit van eveneens 26 januari 2009 heeft het College de ten onrechte aan appellant verstrekte bijstand over de periode van 1 november 2006 tot en met 31 oktober 2008 tot een bedrag van € 9.199,83 mede van appellante teruggevorderd.

1.7.1. Bij besluit van 23 september 2009 heeft het College het namens appellante gemaakte bezwaar tegen de herziening van haar bijstanduitkering en de terugvordering van de aan haar ten onrechte uitbetaalde kosten van bijstand ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de medeterugvordering van de ten onrechte aan appellant betaalde kosten van bijstand is gegrond verklaard en dit besluit is door het College herroepen.

1.7.2. Bij besluit van 23 september 2009 heeft het College het namens appellant gemaakte bezwaar tegen de herziening van zijn bijstanduitkering en de terugvordering van de aan hem ten onrechte uitbetaalde kosten van bijstand ongegrond verklaard. Tevens is het bezwaar tegen de medeterugvordering van de ten onrechte aan appellante betaalde kosten van bijstand ongegrond verklaard.

1.7.3. Aan de besluiten van 23 september 2009 heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten in de periode van 1 november 2006 tot en met 31 oktober 2008 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Door van deze gezamenlijke huishouding geen melding te maken, hebben zij de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden waardoor aan hen ten onrechte een te hoog bedrag aan bijstand is verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de namens appellanten ingestelde beroepen tegen de besluiten van 23 september 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de periode vóór en na de geboorte van hun dochter en ook ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de periode van de afsluiting van het eerste onderzoek op 9 oktober 2007 en daarna. Appellanten stellen zich op standpunt dat er vóór de geboorte van hun dochter geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. Zij hadden in die periode geen gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellante. Met betrekking tot de periode na de geboorte van hun dochter stellen zij zich op het standpunt dat er geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting omdat het College volledig op de hoogte van hun situatie was. Bovendien mochten zij, gelet op de afspraken die tijdens de gesprekken op 1 en 5 oktober 2007 met hen zijn gemaakt, en gelet op de in de rapportage van 9 oktober 2007 neergelegde conclusie van het eerste onderzoek, er op vertrouwen dat aan de overnachtingen van appellant bij appellante om te helpen met de verzorging van hun kind, geen gevolgen zouden worden verbonden.

Appellanten hebben verder een beroep gedaan op de zogenoemde ‘zes-maanden’ jurisprudentie van de Raad. Het College had al vanaf 22 augustus 2007 aanwijzingen van een mogelijke gezamenlijke huishouding. Eerst in juni 2008 is het College overgegaan tot nieuw onderzoek, zodat een eventuele terugvordering, volgens appellanten, beperkt zou moeten worden tot 22 februari 2008.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 mei 2011, LJN BQ6554) dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.4. De Raad ziet aanleiding om in dit geval onderscheid te maken tussen de periode van 1 november 2006 tot 2 augustus 2007 en de periode van 2 augustus 2007 tot en met 31 oktober 2008.

4.5.1. Evenals de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat appellanten in de periode van 1 november 2006 tot 2 augustus 2007 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, te weten: de woning van appellante aan de [adres 1] in [woonplaats 1] en dat sprake was van wederzijdse zorg. Ook de Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die door appellante ten overstaan van de sociale recherche zijn afgelegd. Deze verklaringen houden in dat appellanten vanaf 1 november 2006 hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante te [woonplaats 1] en met betrekking tot het aspect wederzijdse zorg dat appellante de was en gezamenlijke maaltijden verzorgde en de administratie van appellant deed en dat appellant in voorkomende gevallen boodschappen meenam en met het huishouden hielp. Deze verklaring is door appellant ten overstaan van de sociale recherche bevestigd en vindt steun in de overige aan de onderzoeksbevindingen ten grondslag liggende gegevens.

4.5.2. De Raad verwerpt de stelling dat appellanten niet mogen worden gehouden aan de door hen afgelegde verklaringen omdat appellante zich onder druk gesteld voelde en appellant de voor hen belastende verklaringen pas heeft afgelegd nadat hij door de sociaal rechercheurs was geconfronteerd met de verklaringen van appellante.

Uit vaste rechtspraak van de Raad, (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 november 2010, LJN BO4810) vloeit voort dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring mag worden uitgegaan en dat aan het intrekken daarvan, of het achteraf ontkennen van het verklaarde, weinig of geen betekenis toekomt. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat in dit geval van dat uitgangspunt moet worden afgeweken. Appellante heeft na doorlezing haar verklaring zonder voorbehoud getekend. Appellant heeft zijn verklaring, nadat deze aan hem is voorgelezen zonder voorbehoud ondertekend. Dat op appellanten op onaanvaardbare druk is uitgeoefend, is niet gebleken.

4.5.3. Uit 4.5.1 en 4.5.2 vloeit voort dat is voldaan aan de beide criteria van artikel 3, derde lid, van de WWB, zodat appellanten op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB als gehuwden dienen te worden aangemerkt. Dit betekent dat appellanten in de hier in geding zijnde periode niet als zelfstandig subject van bijstand recht hadden op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder dan wel alleenstaande.

4.5.4 Nu appellanten van de gezamenlijke huishouding in de periode van 1 november 2006 tot 2 augustus 2007, in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB, geen melding hebben gemaakt, was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand te herzien met ingang van 1 november 2006. De Raad ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College over deze periode niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6.1. Dat ligt anders voor de periode na de geboorte van de dochter van appellanten op 2 augustus 2007. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellante als gevolg van medische problemen tijdens en na de bevalling, in de eerste maanden na de geboorte van hun dochter lichamelijk en psychisch niet in staat was voor hun kind te zorgen. Appellant heeft deze zorg op zich heeft genomen, mede omdat appellante niet in aanmerking kwam voor kraamzorg en er geen andere opvangmogelijkheden voorhanden waren. Appellante heeft daarvan half september 2007 melding gemaakt in een gesprek met haar klantmanager. In een e-mailbericht van 3 oktober 2007 heeft de klantmanager bevestigd dat dit gesprek heeft plaatsgevonden. Ook tijdens het huisbezoek op

27 september 2007 heeft appellante gemeld dat appellant vanaf de geboorte van haar dochter bijna iedere nacht bij haar is geweest en voor hun kind zorgt. Op 1 en 5 oktober 2007 hebben gesprekken plaatsgevonden waarin klantmanagers met appellanten gesproken hebben over hun woon- en leefsituatie, appellanten gewezen zijn op de verantwoordelijkheden met betrekking tot de zorg voor hun dochter en voor elkaar en afspraken gemaakt zijn met betrekking tot het zoeken van een gezamenlijke woning.

4.6.2. Het in 4.6.1 vermelde leidt tot de conclusie dat het College na de geboorte van de dochter van appellanten op de hoogte was van hun feitelijke woon- en leefsituatie, zodat zij er redelijkerwijs van konden uitgaan dat zij daarvan niet onverwijld en ongevraagd melding meer hadden moeten doen. Van schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB was vanaf dat moment in dit geval dan ook geen sprake. Dit betekent dat artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB geen grondslag biedt voor de herziening van de bijstand van appellanten over de periode van 2 augustus 2007 tot 31 oktober 2008. De rechtbank is dus, evenals het College uitgegaan van een onjuiste bevoegdheidsgrondslag voor de herziening van de bijstand. Het hoger beroep van appellanten tegen de herziening van de bijstand treft dus doel voor zover het betreft de periode van 2 augustus 2007 tot en met 31 oktober 2008. Dat brengt mee dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de besluiten van 23 september 2008 ook in zoverre vernietigen.

4.7. Uit hetgeen in 4.6.1. en 4.6.2. is overwogen volgt voorts dat het College niet bevoegd was de over de periode van 2 augustus 2007 tot en met 31 oktober 2008 gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen en van appellant mede terug te vorderen. Het College was wel op grond van de artikelen 58, eerste lid, aanhef en onder a, en 59, tweede lid, van de WWB bevoegd tot terugvordering respectievelijk medeterugvordering over de periode van 1 november 2006 tot 2 augustus 2007. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik mag maken. In aanmerking genomen dat een terugvorderingbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, komen de besluiten van 23 september 2009, voor zover deze zien op de terugvordering geheel voor vernietiging in aanmerking. Gelet hierop zal de Raad de overige beroepsgronden die betrekking hebben op de (mede)terugvordering buiten bespreking laten.

4.8. Ten aanzien van de vraag welk vervolg aan de onder 4.6.2 en 4.7 genoemde uitkomst wordt gegeven overweegt de Raad het volgende. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissingen op bezwaar niet in stand gelaten worden en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen nieuwe beslissingen op bezwaar tegen de besluiten van 23 september 2009 te nemen.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt de besluiten van 23 september 2009 behalve voor zover deze betreffen de herziening van de bijstand over de periode van 1 november 2006 tot 26 augustus 2007;

Bepaalt dat het College nieuwe besluiten op bezwaar neemt voor zover het betreft de herziening van de bijstand over de periode van 2 augustus 2007 tot en met 31 oktober 2008 en de terugvordering en medeterugvordering, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.748,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College het door appellanten betaalde griffierecht van in totaal € 304,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en H.C.P. Venema en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van S. Werenstijn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

S. Werensteijn.

De griffier is buiten staat te tekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begripgezamenlijke huishouding.

RB