Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7223

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10-5122 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum periodieke uitkering. Het bestreden besluit is voldoende onderbouwd. Het is in overeenstemming met het advies van de geneeskundig adviseur en berust in hoofdzaak op het door de psychiater bij appellante verricht medisch onderzoek. Uit de voorhanden zijnde gegevens is niet gebleken dat appellante haar werkzaamheden in 2005 heeft beëindigd vanwege de causaal aanvaarde psychische klachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5122 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 1 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 augustus 2010, nummer BZ 01203546, BZ01 WUV 000285 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2011. Daar is appellante, zoals aangekondigd, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1939, heeft in oktober 2008 bij verweerder een aanvraag ingediend om op grond van de Wuv in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering.

1.2. Bij besluit van 21 juli 2009 is appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv gelijkgesteld met de vervolgde. Hierbij is aanvaard dat appellante psychische klachten heeft die redelijkerwijs in verband staan met het ten gevolge van de vervolging omkomen van haar vader. Een dergelijk verband is niet aanvaard ten aanzien van de lichamelijk klachten. Aan appellante is toegekend een vergoeding van huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Een periodieke uitkering werd niet toegekend. Na gemaakt bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit alsnog aanvaard dat de psychische klachten in 2008 hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten. Om die reden is appellante een periodieke uitkering toegekend. De ingangsdatum van die uitkering is bepaald op 1 oktober 2008, waarbij in aanmerking is genomen dat appellante in 2005 haar beroep als kleurendeskundige niet heeft beëindigd vanwege de psychische klachten.

1.3. In beroep heeft appellante aangevoerd dat de beperkingen eerder zijn opgetreden, en wel in 2005, waardoor zij haar bedrijf (als zelfstandige) niet meer kon voortzetten.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Het bestreden besluit is in overeenstemming met het advies van de geneeskundig adviseur en berust in hoofdzaak op het door de psychiater H.S.R. Witte bij appellante verricht medisch onderzoek. De Raad acht het bestreden besluit hiermee voldoende onderbouwd. Uit de voorhanden zijnde gegevens is niet gebleken dat appellante haar werkzaamheden in 2005 heeft beëindigd vanwege de causaal aanvaarde psychische klachten. Zo heeft niet alleen psychiater Witte expliciet gewezen op andere omstandigheden, zoals de wens van appellante tot het verder ontplooien van haar kunstzinnige talenten, maar ook appellante zelf heeft ondermeer aangegeven dat zij het tekenwerk achter de tekentafel en het tillen niet meer aan kon en dat zij door haar chronische pijnklachten onhebbelijk werd tegen klanten en de medewerkers. Overigens komt uit de nader door appellante overgelegde cijfermatige informatie naar voren dat appellante ook na 2005 nog werkzaamheden van betekenis heeft verricht en dat feitelijk van een beëindiging geen sprake is geweest.

2.2. Gezien het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

3. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) S. Werensteijn.

RB