Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7194

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-6425 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BO2029, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executief politieambtenaar. Arbeidsongeschikt wegens ziekte. PTTS. Geen sprake van beroepsincident of beroepsziekte. Niet voldaan aan buitensproigheidsvereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/70
Module Ambtenarenrecht 2013/1322
Module Ambtenarenrecht 2013/1437

Uitspraak

10/6425 AW

10/6426 AW

10/6477 AW

10/6478 AW

11/3650 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene), en

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: koprsbeheerder)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2010, 09/4308 en 09/4309 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

betrokkene

en

de korpsbeheerder

Datum uitspraak: 24 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpsbeheerder op 9 juni 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2011, waarbij de gedingen gevoegd zijn behandeld. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J. van Overdam, werkzaam bij de Nederlandse Politiebond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. ?evik, W.W. Hoek en A. Krihma MSc, allen werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is sinds 1984 in dienst bij (een rechtsvoorganger van) de politieregio Rotterdam-Rijnmond. Hij is werkzaam geweest als executief politieambtenaar.

1.2. Op 14 april 2007 is betrokkene voor zijn werkzaamheden uitgevallen wegens een burn-out. Later is vastgesteld dat hij lijdt aan een posttraumatische stress-stoornis (PTSS), die werkgerelateerd is. Bij besluit van 5 juni 2008 is aan betrokkene meegedeeld dat hij per 1 mei 2008 gedurende twaalf volledige maanden arbeidsongeschikt is en dat zijn bezoldiging per die datum daarom wordt gekort tot 80%. Het hiertegen door betrokkene gemaakte bezwaar heeft de korpsbeheerder bij besluit van 9 juni 2009 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Bij brief van 2 oktober 2008 heeft betrokkene de korpsbeheerder verzocht om zijn ziekte aan te merken als een beroepsincident. Hierbij heeft betrokkene melding gemaakt van een aantal incidenten die tijdens zijn werkzaamheden zijn voorgevallen en die volgens hem hebben geleid tot het ontstaan van de PTSS. Bij besluit van 24 april 2009 heeft de korpsbeheerder geweigerd om een beroepsincident of beroepsziekte aan te nemen. Het bezwaar daartegen van betrokkene heeft de korpsbeheerder bij besluit van 11 november 2009 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de korpsbeheerder opgedragen om nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de korpsbeheerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom drie door betrokkene genoemde incidenten in verhouding tot het werk van betrokkene en de bijbehorende werkomstandigheden geen buitensporig karakter dragen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1.1. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder y, van het Besluit algemene rechtspositie politie moet onder beroepsziekte worden verstaan: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid zijn te wijten.

3.1.2. Op grond van artikel 1, aanhef en onder bb, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp), zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, moet onder een beroepsincident worden verstaan: een dienstongeval of een beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken.

3.1.3. Op grond van artikel 38 Bbp heeft de ambtenaar bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 104 weken recht op de doorbetaling van zijn bezoldiging overeenkomstig de in dat artikellid genoemde percentages. Op grond van het tweede lid van artikel 38 van het Bbp behoudt de ambtenaar, in afwijking van het eerste lid, indien de ziekte uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, is veroorzaakt door een beroepsincident, zijn aanspraak op doorbetaling van 100% van zijn bezoldiging. Op grond van artikel 38b, eerste lid, van het Bbp wordt de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een dienstongeval of een beroepsziekte maar niet door een beroepsincident, op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een beroepsincident.

3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 10 maart 2005, LJN AT3543 en TAR 2005, 80, en CRvB 2 april 2009, LJN BI0646) geldt voor de toepassing van regelingen als de onderhavige allereerst dat de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, moeten worden geobjectiveerd. Wanneer de arbeidsongeschiktheid in sterkere mate van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. De beoordeling hiervan vergt een juridische kwalificatie van de zich voordoende feiten. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is. Pas nadat is vastgesteld dat de aard van het werk dan wel de omstandigheden waaronder dat moest worden verricht - objectief beschouwd - als buitensporig moeten worden aangemerkt, komt de vraag aan de orde of er tussen die werkomstandigheden en de ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwijsbaar is. Alleen beantwoording van die laatste vraag is primair gelegen op het terrein van de medicus.

3.3. Betrokkene heeft in zijn hoger beroep nuancering bepleit van het in de rechtspraak van de Raad neergelegde buitensporigheidsvereiste. Volgens betrokkene leidt dit vereiste voor ambtenaren die werkzaamheden verrichten onder gevaarzettende omstandigheden tot een onaanvaardbare uitholling van het begrip beroepsziekte, aangezien ten aanzien van hen bij psychische arbeidsongeschiktheid slechts bij uitzondering zal worden aangenomen dat sprake is van een beroepsincident of beroepziekte. Aldus levert het vereiste volgens betrokkene een onaanvaardbare rechtsongelijkheid op ten opzichte van ambtenaren die niet onder dergelijke omstandigheden werken.

3.4. De Raad volgt betrokkene daarin niet. Voor toepassing van de onderhavige regelingen is vereist dat de ziekte uit hoofde waarvan de ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten - in overwegende mate - zijn oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen werkzaamheden of de omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht. Zoals de Raad recentelijk heeft bevestigd (CRvB 28 april 2011, LJN BQ3470), ligt in het buitensporigheidsvereiste en de daarbij toe te passen objectivering besloten dat geen rekening moet worden gehouden met een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken ambtenaar voor bepaalde werkomstandigheden. Verder volgt uit de vaste rechtspraak van de Raad dat het moet gaan om buitensporigheid in verhouding tot de opgedragen werkzaamheden en de bij die werkzaamheden behorende omstandigheden. De Raad ziet geen aanleiding om deze lijn te verlaten en deelt daarbij het oordeel van de rechtbank dat deze rechtspraak geen onaanvaardbare rechtsongelijkheid oplevert. Het hoger beroep van betrokkene slaagt dus niet.

3.5. De korpsbeheerder heeft in zijn hoger beroep erop gewezen dat het op de weg van betrokkene ligt om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van werk of werkomstandigheden die - objectief gezien - een buitensporig karakter dragen. Volgens de korpsbeheerder is betrokkene daar niet in geslaagd. Verder heeft de korpsbeheerder uiteengezet dat in zijn visie van werk of werkomstandigheden met een buitensporig karakter geen sprake is geweest. Hierbij heeft de korpsbeheerder zich mede beroepen op de gegevens over het optreden van geweldsincidenten waarnaar in de bestreden besluiten is verwezen.

3.6. Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad in de eerste plaats dat betrokkene een aantal incidenten heeft genoemd die tijdens zijn werkzaamheden zijn voorgevallen en die volgens hem hebben geleid tot het ontstaan van de PTSS. De korpsbeheerder heeft het bestaan van de desbetreffende incidenten erkend en heeft de door betrokkene van deze incidenten gegeven beschrijving overgenomen. Uit een en ander volgt dat betrokkene heeft voldaan aan de in 3.5 genoemde verplichting om voldoende feiten aan te dragen.

3.7. Vervolgens moet worden beoordeeld hoe de van belang zijnde feiten moeten worden gekwalificeerd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van betrokkene ter zitting verklaard dat de stelling dat sprake is van een beroepsziekte, is gebaseerd op drie incidenten waarbij sprake was van een aanhouding door betrokkene. In 1984 is betrokkene bij een arrestatie in zijn rechterschouder gebeten door een psychotische man. Nadien ontstond bij betrokkene angst voor besmetting met het HIV-virus. In 1987 is na het verrichten van een test gebleken dat betrokkene niet besmet was geraakt met dit virus. Begin jaren negentig heeft een seropositieve verdachte de hand van betrokkene opengehaald bij een insluiting. Na enkele maanden is vastgesteld dat betrokkene bij dit incident niet besmet is geraakt met het HIV-virus. Het derde door betrokkene genoemde incident vond plaats halverwege de jaren 2000. Toen heeft een drugsverslaafde tijdens een arrestatie zijn vingers in de mond van betrokkene gestoken terwijl hij direct daarvoor met zijn hand zijn geslachtsdeel had aangeraakt.

3.8. De Raad is van oordeel dat voor een politieambtenaar in de executieve dienst het meemaken van incidenten zoals hier aan de orde op zichzelf niet buitensporig is te noemen. Hierbij volgt de Raad de korpsbeheerder in zijn stelling dat het aan de functie van betrokkene inherent is dat geweldsincidenten en andere ingrijpende incidenten met regelmaat voorkomen. Betrokkene heeft in dit verband benadrukt dat hij meerdere malen geconfronteerd is geweest met een mogelijke HIV-besmetting en een daarop volgende periode van onzekerheid. De Raad acht evenwel ook deze omstandigheid onvoldoende om buitensporigheid aan te nemen, mede gezien het tijdsverloop tussen de incidenten.

3.9. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, omdat de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

De beroepen tegen deze besluiten moeten daarom ongegrond worden verklaard.

4. Dit brengt mee dat aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 9 juni 2011 de grondslag is komen te ontvallen. De Raad zal dit besluit daarom vernietigen.

5. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 9 juni 2011.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en H.C.P. Venema en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S. Werensteijn.

RB