Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10-5350 WAZO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wazo-uitkering. Draagmoederschap. Geen sprake was van zwangerschap en bevalling. Aangezien appellante in hoger beroep heeft erkend dat zij niet onder de werking van artikel 3:18, eerste lid, van de Wazo kan worden gebracht, kan haar standpunt, dat blijkens de memorie van toelichting van de Wazo het bevallingsverlof tevens ziet op het hechtingsproces tussen moeder en kind, geen doel kan treffen. Geen strijd met bepalingen inzake het internationale recht. Appellantes opvatting dat in de Wazo een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen werknemers in loondienst en zelfstandigen, omdat de Wazo geen adoptieverlof of uitkering voor zelfstandigen kent, treft geen doel nu appellante geen aanvraag inzake adoptieverlof heeft gedaan.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid en zorg
Wet arbeid en zorg 3:18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/64
USZ 2012/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5350 WAZO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 19 augustus 2010, 09/1171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M.G.C. Mulder, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2011. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, werkzaam als zelfstandig advocaat, heeft op 15 juli 2008 een zwangerschaps- en bevallingsuitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg (Wazo) aangevraagd. Als aanvullende informatie bij die aanvraag heeft appellante vermeld dat in haar geval sprake is van draagmoederschap, in die zin dat haar schoonzus het genetisch eigen kind draagt van appellante en haar echtgenoot. De baby zal direct na de geboorte aan haar worden afgestaan zodat zij direct de volledige zorg van het kind op zich zal nemen.

2. Bij besluit van 31 oktober 2008 wordt appellante een Wazo-uitkering geweigerd op de grond dat de regeling alleen geldt voor een eigen zwangerschap en bevalling en niet van toepassing is in geval van draagmoederschap. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat volgens haar de uitkering is bedoeld ter bescherming van moeder en kind en om ervoor te zorgen dat zelfstandigen na de bevalling door hun financiële situatie niet gedwongen worden om onnodig snel weer aan het werk te gaan. Bij besluit van 10 maart 2009 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3:18, eerste lid, van de Wazo, omdat appellante haar kind via draagmoederschap heeft gekregen en dus bij haar geen sprake was van zwangerschap en bevalling. Volgens de rechtbank was het Uwv, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van voormeld artikel, gehouden om de aanvraag van appellante af te wijzen. Ook zag de rechtbank onvoldoende aanleiding voor een analoge toepassing van artikel 3:18, eerste lid, van de Wazo, zoals door appellante was bepleit.

4. In hoger beroep heeft appellante, mede onder verwijzing naar de memorie van toelichting van de Wazo, het standpunt ingenomen dat het bevallingsverlof niet alleen ziet op herstel van de lichamelijke toestand van de moeder, maar tevens ziet op het hechtingsproces tussen moeder en kind. Appellante heeft erkend dat het imperatieve karakter van artikel 3:18, eerste lid, van de Wazo geen mogelijkheid laat om haar aanvraag in te willigen, maar betwijfelt of deze bepaling de toets van het internationale recht kan doorstaan. Daartoe heeft zij gewezen op de uitspraak van het Hof van Justitie EU van 18 september 2010, C-149/10 inzake Zoi Chatzi tegen Ypourgos Oikonomikon. Tot slot acht appellante sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid nu de Wazo aan werknemers wel een adoptie-uitkering toekent en niet aan een zelfstandige.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Aangezien appellante in hoger beroep heeft erkend dat zij niet onder de werking van artikel 3:18, eerste lid, van de Wazo kan worden gebracht, dient naar het oordeel van de Raad daaruit tevens te volgen dat haar standpunt, dat blijkens de memorie van toelichting van de Wazo het bevallingsverlof tevens ziet op het hechtingsproces tussen moeder en kind geen doel kan treffen. De regering heeft overigens bij de herinvoering van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor zelfstandigen in de Wazo uitdrukkelijk slechts het nog geheel op de bescherming van de gezondheid van moeder en kind (Tweede Kamer, 2007-2008, 31366,3 p.3) Eenzelfde oordeel treft het standpunt van appellante dat de weigering van het Uwv in strijd zou zijn met bepalingen inzake het internationale recht, zulks onder verwijzing naar het hierboven in 4 genoemde arrest van het Hof van Justitie EU. Dat arrest heeft geen betrekking op haar situatie, maar ziet op de kwestie van ouderschapsverlof voor werknemers in loondienst na bevalling van een tweeling. Wat betreft appellantes opvatting dat in de Wazo een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen werknemers in loondienst en zelfstandigen, omdat de Wazo geen adoptieverlof of uitkering voor zelfstandigen kent, merkt de Raad op dat het bestreden besluit daarop niet ziet nu appellante een zwangerschaps- en bevallingsuitkering bij het Uwv heeft aangevraagd en geen aanvraag inzake adoptieverlof.

5.2. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en

N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

KR