Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10-4684 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om uitbreiding van de huishoudelijke hulp, een vergoeding van de kosten verbonden aan de aanschaf van een auto, een vergoeding voor het onderhouden en het stemmen van een piano (vleugel), een voorziening voor niet-gedekte medische kosten in verband met tinnitusklachten, vergoeding van kosten voor persoonlijke verzorging, vergoeding van kosten van tuinonderhoud en het vergoeden van een viertal medicijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4684 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)

Datum uitspraak:1 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 juli 2010, nummer BZ01170790 (hierna: bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2011. Namens appellante is verschenen haar echtgenoot [naam echtgenoot] als gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1938, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wuv. Verweerder heeft aanvaard dat de bij appellante aanwezige psychische klachten, blaasklachten na infecties, darmklachten en rugklachten door of in verband met de vervolging zijn ontstaan. Een dergelijk verband is niet aanvaard ten aanzien van de status na galblaas-, blindedarm- en gynaecologische operaties, alsmede de gehoorklachten, incontinentie voor urine en de in 2005 doorgemaakte CVA. Aan appellante zijn in de loop van de tijd verschillende voorzieningen toegekend in verband met de uit de vervolging voortvloeiende aandoeningen.

1.2. In juli 2009 is namens appellante bij verweerder een aanvraag ingediend om uitbreiding van de huishoudelijke hulp, een vergoeding van de kosten verbonden aan de aanschaf van een auto, een vergoeding voor het onderhouden en het stemmen van een piano (vleugel), een voorziening voor niet-gedekte medische kosten in verband met tinnitusklachten, vergoeding van kosten voor persoonlijke verzorging, vergoeding van kosten van tuinonderhoud en het vergoeden van een viertal medicijnen.

1.3. Die aanvraag heeft verweerder afgewezen bij besluit van 17 februari 2010, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Overwogen is - kort gezegd - dat de tinnitusklachten en incontinentie niet in verband kunnen worden gebracht met de vervolging en dat de wel in verband met de vervolging aanvaarde ziekten en/of gebreken de gevraagde voorzieningen niet medisch noodzakelijk maken. Met betrekking tot de kosten van onderhoud en stemmen van de piano en van het tuinonderhoud is overwogen dat deze algemeen gebruikelijk zijn en behoren tot het normale levens- en bestedingspatroon.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de tinnitusklachten en de permanente incontinentie klachten van urine van appellante moeten worden toegeschreven aan de vervolging, namelijk de internering tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië.

2.1.1. De zienswijze van verweerder dat een dergelijk verband niet aanwezig is, is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen zijn tot stand gekomen op basis van het geheel aan medische gegevens, waaronder informatie van de huisarts en de appellante behandelende medische specialisten. Daaruit komt naar voren dat de tinnitusklachten (oorsuizen) berusten op een virale infectie bij de bijholteontstekingen en dat die klachten op geen enkele manier te relateren zijn aan de burgerinternering. Met betrekking tot de permanente incontinentie van urine is overwogen dat deze klachten niet in verband staan met de causaal aanvaarde recidiverende urineweginfecties, maar dat het urineverlies het gevolg is van een lichte blaasinstabiliteit en een lichte mate van blaasverzakking. Die klachten in het verleden al als niet-causaal zijn aangemerkt.

2.1.2. In de gedingstukken van medische aard heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden om het standpunt dat verweerder met betrekking tot deze klachten op basis van de adviezen heeft ingenomen, voor onjuist te houden. Medische gegevens die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn van de zijde van appellante niet ingebracht.

2.2. Niet gedekte medische kosten voor tinnitusklachten/incontinentiemateriaal

2.2.1. Nu de tinnitusklachten en de (permanente) incontinentie niet aan de ondergane vervolging kunnen worden toegeschreven, heeft verweerder naar het oordeel van de Raad terecht geweigerd de daarmee verband houdende kosten (zoals de vergoeding van niet gedekte medische kosten en incontinentiemateriaal) voor vergoeding in te brengen.

2.3. (viertal) medicijnen en persoonlijke verzorging

2.3.1. Ook kan de Raad niet voor onjuist houden de weigering van verweerder om de kosten van een viertal medicijnen (dipyridamol, acetylsal, crestor en pantazol) en persoonlijke verzorging (pedicure, haar- en gezichtsverzorging) te vergoeden, omdat niet is gebleken dat de met vervolging verband houdende klachten deze voorzieningen medisch noodzakelijk maken. Zo worden de betreffende medicijnen niet gebruikt vanwege de uit de vervolging voortkomende klachten en zijn het ook niet deze klachten die appellante beperken bij de zelfverzorging. Dat de psychische klachten en de rugklachten zodanig zijn verergerd dat daardoor beperkingen in de persoonlijke verzorging zouden zijn veroorzaakt, vindt naar het oordeel van de Raad geen steun in de medische gegevens.

2.4. Kosten voor onderhoud/stemmen vleugel en tuinonderhoud

2.4.1. De Raad is met verweerder van oordeel dat deze kosten behoren tot het normale levens- en bestedingspatroon en niet kunnen worden beschouwd als extra kosten in de zin van de Wuv die door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd.

2.5. Vergoeding aanschafkosten van een auto

2.5.1. Het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten van de aanschaf van een auto heeft verweerder afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat appellante niet met de taxi kan reizen.

2.5.2. De Raad heeft, gelet op de aard van de gevraagde voorziening, in vaste rechtspraak aanvaardbaar geoordeeld het door verweerder gehanteerde uitgangspunt om pas dan over te gaan tot toekenning van de gevraagde voorziening, indien bij de betrokkene sprake is van een absolute verhindering om van het openbaar vervoer en van een taxi gebruik te maken.

2.5.3. Het standpunt van verweerder dat een zodanige situatie zich in het geval van appellante niet voordoet is gebaseerd op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs, die mede berusten op informatie van de huisarts. In de adviezen is aangegeven dat appellante in staat wordt geacht om met de taxi te reizen.

2.5.4. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de genoemde medische adviezen voldoende voorbereid en gemotiveerd. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd waaruit zou blijken dat het reizen per taxi voor haar niet mogelijk is. Ook de huisarts van appellante geeft aan dat naar zijn mening appellante gebruik kan maken van de taxi. Dat brengt mee dat naar het oordeel van de Raad verweerder op goede gronden heeft geweigerd de gevraagde voorziening te verstrekken.

2.6. Uitbreiding vergoeding huishoudelijke hulp

2.6.1. Uit de gedingstukken komt naar voren dat aan appellante in verband met haar uit de vervolging voortvloeiende klachten een vergoeding is toegekend voor acht uren huishoudelijk hulp per week. Met betrekking tot de vraag of er voor appellante een medische noodzaak bestaat voor uitbreiding van deze reeds toegekende huishoudelijke hulp overweegt de Raad als volgt.

2.6.2. Verweerder hanteert een richtlijn op grond waarvan een vergoeding voor meer dan acht uren huishoudelijke hulp kan worden verleend, indien de met de vervolging samenhangende psychoproblematiek bij een betrokkene leidt tot chaotisch gedrag of zelfverwaarlozing dan wel indien een betrokkene als gevolg van met de vervolging verband houdende ziekte of gebrek wordt beperkt in de maaltijdverzorging.

2.6.3. In navolging van de geneeskundig adviseurs heeft verweerder geoordeeld dat een dergelijke situatie in het geval van appellante zich niet voor doet. De Raad kan dit oordeel niet voor onjuist houden. Namens appellante wordt dit eigenlijk ook niet bestreden. Uit de gedingstukken komt veel meer naar voren dat de gevraagde uitbreiding wederom is gestoeld op de omstandigheid dat er sprake is van een bovengemiddeld bewerkelijk huis. De Raad heeft echter al meermalen in eerdere procedures van appellante uitgesproken dat de grootte van de woning niet kan leiden tot extra kosten in de zin van de Wuv en dat om die reden een uitbreiding van de eerder toegekende huishoudelijke hulp niet kan plaatsvinden. In het onderhavige procedure ziet de Raad geen aanleiding daarvan terug te komen.

2.6.4. Voor zover namens appellante de anticumulatie van de uren aan huishoudelijke hulp in het kader van de Wuv en de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt bestreden, merkt de Raad nog op dat het bestreden besluit hierover niet handelt.

3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad merkt ten overvloede nog op dat het niet op zijn weg ligt om de gemachtigde - zoals door hem verzocht - te vrijwaren van het overleggen van een door appellante ondertekende machtiging in andere dan onderhavige procedures waarbij hij namens appellante optreedt, noch ook om daartoe aan de gemachtigde een algemene machtiging te verstrekken.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

S. Werensteijn.

De griffier is buiten staat te tekenen.

NK