Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7181

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10-4236 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek herziening vastgesteld vermogen. Het faillissement van een buitenlandse vennootschap levert weliswaar een nieuw feit op, maar niet een feit dat zou kunnen leiden tot een andere beslissing omtrent de vermindering van het vastgestelde vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4236 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 1 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 juni 2010, kenmerk BZ 48782, JZ/L80/2010 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, advocaat te Wassenaar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant, geboren in 1936, is met ingang van 1 november 1975 een periodieke uitkering op grond van de Wuv toegekend. Het overeenkomstig artikel 19 van de Wuv voor korting op die uitkering in aanmerking te nemen vermogen is per die datum vastgesteld op een bedrag van f 1.159.014,79 (€ 525.937,62).

1.2. In juni 2008 heeft verweerder het vastgestelde vermogen per 1 april 2005 verlaagd tot € 497.171,59 (f 1.095.622, ), in verband met de omstandigheid dat het vermogen van appellant door echtscheiding is verminderd. Deze verlaagde vaststelling is door de Raad in stand gelaten bij uitspraak van 11 november 2010 (LJN BO5122).

1.3. Op 10 september 2009 heeft appellant verweerder verzocht het vastgestelde vermogen te herzien wegens het waardeloos worden van zijn aandelen in de buitenlandse vennootschap Shopfitters Ltd. Bij besluit van 5 november 2009, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. In artikel 59a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv is voor zover hier van belang bepaald dat de uitkering op aanvraag van de uitkeringsgerechtigde opnieuw wordt vastgesteld indien het vermogen van de uitkeringsgerechtigde en zijn echtgenoot door oorzaken gelegen in factoren waarop de uitkeringsgerechtigde geen invloed heeft kunnen uitoefenen, zodanig is verminderd, dat het niet herzien van de laatst vastgestelde inkomsten uit vermogen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder c, tot een klaarblijkelijke hardheid zou leiden. Bij de beoordeling hiervan wordt rekening gehouden met de totale vermogens- en inkomstenpositie van de uitkeringsgerechtigde en zijn echtgenoot.

Deze bepaling komt in grote lijnen overeen met hetgeen voordien was bepaald in artikel 19, vijfde lid, onder c, van de Wuv.

2.2. Reeds in augustus 1992 heeft appellant verweerder verzocht het per 1 november 1975 vastgestelde vermogen te herzien, op de grond dat hij zijn aandelen Shopfitters Ltd in pand heeft gegeven en dat, toen hij niet in staat bleek zijn schuld te betalen, de pandhouder de aandelen heeft opgeëist. De afwijzing van dit verzoek is door de Raad in stand gelaten bij uitspraak van 2 maart 1995, WUV 1994/31. De Raad overwoog onder meer dat de wijziging in de vermogenssituatie van appellant was veroorzaakt door de (vrijwillige) keuze die hij in 1988 heeft gemaakt om het aandelenpakket in te zetten voor zijn ondernemingsactiviteiten, aan welke keuze uiteraard het risico van verlies inherent is. Dit betekende dat geen sprake was van een situatie waarin het vermogen is verminderd door oorzaken gelegen in factoren waarop de uitkeringsgerechtigde generlei invloed heeft kunnen uitoefenen.

2.3. Het huidige geschil betreft de afwijzing van het door appellant in september 2009 ingediende verzoek om de eerdere besluiten tot vermogensvaststelling te herzien in verband met de omstandigheid dat, naar hem inmiddels was gebleken, de firma Shopfitters Ltd in 2005 failliet is verklaard en vervolgens heeft opgehouden te bestaan. Dit verzoek is door verweerder terecht opgevat als een verzoek om herziening in de zin van artikel 61 van de Wuv.

2.4. Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellant feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.5. Gelet op het verhandelde ter zitting is thans nog uitsluitend aan de orde of het faillissement van Shopfitters Ltd als zo'n nieuw feit of gewijzigde omstandigheid kan worden aangemerkt. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien hij de aandelen Shopfitters Ltd in 1988 niet in onderpand had gegeven, hij deze als gevolg van het faillissement in 2005 geheel en al buiten zijn schuld zou zijn kwijtgeraakt. Nu in 1992 de fictie gold dat de verpanding van de aandelen niet heeft plaatsgevonden, mag thans niet van een andere vooronderstelling worden uitgegaan. Dit betekent volgens appellant dat de waardevermindering door het faillissement nog altijd fictief zijn vermogen raakt.

2.6. De Raad volgt appellant niet in dit betoog. Het is niet zo dat in 1992 is gehandeld alsof de verpanding en uitwinning van de aandelen feitelijk niet hadden plaatsgevonden. Die verpanding en uitwinning zijn door verweerder wel degelijk als feiten aanvaard, maar konden niet tot vermindering van het vastgestelde vermogen leiden, omdat zij niet waren aan te merken als factoren waarop appellant generlei invloed heeft kunnen uitoefenen, in de zin van artikel 19, vijfde lid, onder c (oud), van de Wuv. Dit betekent dat er ook thans van moet worden uitgegaan dat de aandelen Shopfitters Ltd het vermogen van appellant hebben verlaten op het moment dat zij door de pandhouder tot zich zijn genomen of te gelde gemaakt. De verdere lotgevallen van deze aandelen, waaronder de gevolgen van het faillissement, gaan appellant en zijn vermogen niet meer aan.

2.7. Van de door appellant gestelde toezeggingen door de toenmalige secretaris van de PUR is niets gebleken. Hetgeen appellant daarover zelf heeft verklaard, wijst ook niet op een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging waaraan verweerder zou kunnen zijn gebonden.

2.8. De Raad concludeert dat het faillissement van Shopfitters Ltd in 2005 weliswaar een nieuw feit oplevert, maar niet een feit dat zou kunnen leiden tot een andere beslissing omtrent de vermindering van het vastgestelde vermogen.

Het bestreden besluit houdt dus in rechte stand. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) S. Werensteijn.

RB