Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
10/1469 AW + 10/1470 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vergoeding van rente over nabetaling herplaatsingswachgeld, omdat meer dan vijf jaren zijn verstreken zonder stuiting. Bevoegdheidsgebrek in hoger beroep hersteld. Geen processueel belang meer bij de beoordeling van het (ingetrokken) oorspronkelijke primaire besluit en het daarop betrekking hebben besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1469 AW

10/1470 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 januari 2010, 09/3210 en 09/4716 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 23 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2011. Appellante is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties B.V. (hierna: LMA).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellante is per 1 augustus 1991 ontslag verleend uit haar tijdelijke betrekkingen als docente. In april 2000 is haar een nabetaling gedaan van herplaatsingswachtgeld over de jaren 1994 en 1995. Bij brief van 3 februari 2001 heeft appellante aanspraak gemaakt op vergoeding van rente over te late betalingen, die zich volgens haar meerdere keren hebben voorgedaan. Bij brief van 19 februari 2001 heeft de minister hierop geantwoord dat appellante een verzoek om vergoeding van wettelijke rente kan indienen, waarin zij wel moet onderbouwen waarom en over welke periode zij rente claimt.

1.2. Bij brief van 27 juli 2006 heeft appellante de minister verzocht om wettelijke rente over - voor zover nog van belang - het in april 2000 uitbetaalde herplaatsingswachtgeld over de jaren 1994 en 1995.

1.3. Bij besluit van 23 oktober 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juni 2009, heeft LMA namens de minister dit verzoek afgewezen op de grond dat sedert de nabetaling en het verzoek van 3 februari 2001 meer dan vijf jaren zijn verstreken.

1.4. Bij besluiten van 30 september 2009 heeft LMA namens de minister het besluit van 23 oktober 2007 ingetrokken en het verzoek om wettelijke rente opnieuw afgewezen op de grond dat meer dan vijf jaren zijn verstreken. Bij besluit van 19 november 2009 heeft LMA namens de minister het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep tegen het besluit van 26 juni 2009 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 19 november 2009 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. De Raad overweegt als volgt.

4. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank pas uitspraak heeft gedaan nadat de daarvoor gestelde termijn van zes weken na de zitting was verstreken. Deze beroepsgrond kan niet slagen. Indien de uitspraaktermijn al is overschreden, zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat appellante daardoor zozeer in haar belangen is geschaad dat de aangevallen uitspraak om die reden voor vernietiging in aanmerking zou komen.

5. Appellante betwist de bevoegdheid van LMA tot het nemen van de hier aan de orde zijnde besluiten. Deze beroepsgrond treft doel. Bij het door LMA overgelegde mandaatbesluit van 23 maart 2007 heeft de minister aan LMA mandaat verleend tot het nemen van besluiten op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BBWO) en delen van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BZA). Dit mandaatbesluit kan niet zo ruim worden uitgelegd dat het mede betrekking heeft op de uitvoering van hetgeen tot 1 januari 1996 in de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet) was bepaald omtrent herplaatsingswachtgeld. Dat de herplaatsingswachtgelden per die datum zijn omgezet in een recht op suppletie op grond van het BZA, acht de Raad daarvoor niet voldoende. Het gaat, zowel formeel als naar de inhoud, om duidelijk van elkaar te onderscheiden regelingen.

6. In hoger beroep heeft LMA alsnog een mandaatbesluit van 17 maart 2011 overgelegd waarbij de minister, met terugwerkende kracht tot 1 april 2007 en uitsluitend daar waar het appellante betreft, aan LMA mandaat heeft verleend om al die besluiten te nemen die de minister bij of krachtens de tot 1 januari 1996 geldende regeling inzake herplaatsingswachtgeld bevoegd is te nemen. Mede gelet op het verhandelde ter zitting, begrijpt de Raad dit mandaatbesluit als een bekrachtiging door de minister van de in deze zaak onbevoegdelijk door LMA genomen besluiten, waarbij de minister deze besluiten volledig voor zijn rekening neemt.

7. Appellante bestrijdt de aangevallen uitspraak in zoverre daarbij haar beroep tegen het besluit van 26 juni 2009 niet-ontvankelijk is verklaard. Op dit punt treft het hoger beroep geen doel. Mede gelet op het verhandelde ter zitting, verstaat de Raad de besluiten van 30 september 2009 aldus dat daarbij zowel - vanwege het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - het oorspronkelijke primaire besluit van 23 oktober 2007 als ook het daarop betrekking hebbende besluit op bezwaar van 26 juni 2009 is ingetrokken. Hiervan uitgaande, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat appellante nog een rechtens te respecteren (processueel) belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van deze besluiten door de bestuursrechter. Dat appellante de onzorgvuldige werkwijze van LMA aan de kaak wil stellen, zoals zij in hoger beroep aanvoert, is niet als voldoende procesbelang aan te merken. Er is ook geen enkele aanwijzing dat appellante als gevolg van de hier bedoelde handelwijze van LMA schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen.

8. Appellante bestrijdt de aangevallen uitspraak tevens in zoverre daarbij haar beroep tegen het besluit van 19 november 2009 ongegrond is verklaard. De rechtbank was - kort gezegd - met de minister van oordeel dat de aanspraak op wettelijke rente door het verloop van meer dan vijf jaren is komen te vervallen.

8.1. Volgens vaste rechtspraak zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar en ligt de aanvang van deze termijn bij het moment waarop de ambtenaar met betrekking tot de geleden schade in actie had kunnen komen (CRvB 20 januari 2000, LJN AA5180 en TAR 2000, 40). De rechtszekerheid staat er niet aan in de weg dat de ambtenaar die een dergelijke aanspraak meent te hebben daarvan, vóór het verstrijken van de termijn, tegenover het betrokken bestuursorgaan doet blijken op zodanige wijze dat de lopende termijn wordt afgebroken en een nieuwe termijn van vijf jaren begint. Uit een oogpunt van kenbaarheid moet hierbij sprake zijn van een schriftelijke mededeling waarin de ambtenaar zich ondubbelzinnig zijn aanspraak voorbehoudt. Deze eis van schriftelijkheid hangt samen met de strekking van een stuitingshandeling, welke neerkomt op een

- voldoende duidelijke - waarschuwing aan het bestuursorgaan dat dit, ook na het verstrijken van de termijn, ermee rekening moet houden dat het de beschikking houdt over gegevens en bewijsmateriaal, opdat het zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de ambtenaar in te dienen verzoek om vaststelling en honorering van de aanspraak behoorlijk kan verweren (CRvB 23 augustus 2007, LJN BB2371 en TAR 2008, 22).

8.2. De gedingstukken laten zien dat appellante, nadat het herplaatsingswachtgeld over 1994 en 1995 in april 2000 aan haar was nabetaald, in haar brief van 3 februari 2001 in algemene termen om een rentevergoeding voor (meerdere) te late uitbetalingen heeft verzocht. Indien al wordt aangenomen dat deze brief geldt als een stuitingshandeling ten aanzien van de aanspraak op wettelijke rente over de nabetaling van april 2000, moet worden vastgesteld dat vervolgens meer dan vijf jaren zijn verstreken tot aan het verzoek van 27 juni 2006 waarmee de onderhavige procedure is ingeleid. Dat tussentijds nog een stuiting heeft plaatsgevonden, in de onder 8.1 bedoelde zin, is niet gebleken. De door appellante genoemde brief van 11 mei 2005 kan niet als zodanig worden aangemerkt. Weliswaar wordt daarin gesproken over wettelijke rente, maar daarbij gaat het kennelijk om een andere vertraagde uitbetaling dan de hier aan de orde zijnde nabetaling van herplaatsingswachtgeld. Uit de door appellante in haar dossier aangetroffen conceptbrief van USZO-Heerlen uit het jaar 2000 kan wellicht worden afgeleid dat toentertijd binnen die organisatie een voornemen bestond om namens de minister tot vergoeding van wettelijke rente over het herplaatsingswachtgeld over te gaan, maar onweersproken staat vast dat deze brief nooit is verzonden. De Raad kan dan ook tot geen andere conclusie komen dan dat de in geding zijnde aanspraak van appellante op wettelijke rente ten tijde van het inleidende verzoek van 27 juni 2006 niet langer in rechte afdwingbaar was.

8.3. De stellingen van appellante komen er voor het overige op neer dat het de minister in redelijkheid niet vrij stond om zich op deze niet-afdwingbaarheid te beroepen. Ook hierin kan de Raad appellante niet volgen. Indien in 2000 al mondelinge toezeggingen zijn gedaan dat wettelijke rente zou worden vergoed - de conceptbrief uit 2000 zou daarop kunnen wijzen - neemt dit niet weg dat sedertdien meer dan vijf jaren zonder stuiting zijn verstreken. Dat binnen die periode nog mondelinge toezeggingen zijn gedaan, is niet aannemelijk geworden. Bovendien zijn mondelinge toezeggingen op zichzelf niet relevant, nu voor stuiting de eis van schriftelijkheid moet worden gesteld. Voor het oordeel dat de minister appellante van het verrichten van een stuitingshandeling heeft afgehouden, heeft de Raad geen enkel aanknopingspunt kunnen vinden. In tegendeel, in zijn brief van 19 februari 2001 heeft de minister duidelijk - en terecht - aangegeven wat hij van appellante verwachtte, namelijk het indienen van een voldoende concreet en gespecificeerd verzoek om toekenning van wettelijke rente. Dat appellante hiermee tot 27 juli 2006 heeft gewacht, komt voor haar eigen rekening. Ter zitting is naar voren gekomen dat het vooral de veelheid aan lopende procedures is geweest - een boom met vele vertakkingen - die de kwestie lange tijd aan haar aandacht heeft doen ontsnappen. Dit is echter niet voldoende om het achterwege blijven van een tijdig concreet verzoek om wettelijke rente te kunnen rechtvaardigen.

8.4. Het hoger beroep treft dus ook op dit punt geen doel.

9. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, voor zover daarbij niet is onderkend dat het bestreden besluit van 19 november 2009 door LMA onbevoegdelijk is genomen. Het besluit van 19 november 2009 komt wegens die onbevoegdheid voor vernietiging in aanmerking, maar de rechtsgevolgen ervan zullen

- gegeven de bekrachtiging door de minister - met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand worden gelaten. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, te worden bevestigd.

10. Bij deze uitkomst dient het door appellante in hoger beroep gedane verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen. Van met de onbevoegde besluitvorming samenhangende schade is de Raad niets gebleken.

11. De Raad acht termen aanwezig om de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 26,38 wegens reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 19 november 2009 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 november 2009 gegrond, vernietigt dit besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit volledig in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 26,38;

Bepaalt dat de minister aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 223,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C. Nijholt.

HD