Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
10-4604 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht (meer) op ziekengeld. Medisch onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig. Niet is gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts geen voldoende duidelijk beeld had van de aard en zwaarte van het eigen werk.

De door appellante ingebrachte stukken bevatten geen argumenten die wijzen op onjuistheden of inconsistenties in de medische beoordeling of die op zijn minst twijfel doen ontstaan aan de medische grondslag van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4604 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2010, 09/2564

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld en nadere stukken ingezonden. Partijen hebben over en weer gereageerd op de door ieder van hen ingebrachte stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was via een uitzendbureau werkzaam als medewerker tuinbouw, laatstelijk als paprika plukker/snijder, toen hij op 8 september 2008 uitviel wegens nek- en schouderklachten. Nadien ook sprake van hoofdpijn, maagklachten, allergie en psychische klachten. Met ingang van 26 september 2008 is het dienstverband van appellant beëindigd.

1.2. Naar aanleiding van voormelde ziekmelding heeft appellant twee maal het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht, voor het laatst op 20 april 2009. De verzekeringsarts A.S. Manbodh komt na eigen onderzoek en verkregen informatie van de neuroloog J.C.B. Verhey van 2 maart 2009 tot de conclusie dat appellant met ingang van 21 april 2009 geschikt kan worden geacht voor zijn arbeid. Bij besluit van 20 april 2009 heeft het Uwv (verdere) uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) ontzegd. Bij besluit van 18 juni 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts F.C. Swaan van 17 juni 2009, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 april 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest. In hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

3. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd het niet eens te zijn met de wijze van oordeelsvorming door de rechtbank en met het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht appellant per 21 april 2009 in staat heeft geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft appellant rapportages van mevrouw Verhage, directrice van Instituut Psychosofia (IP), overgelegd, alsmede stukken inzake een indicatiebeschikking op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW).

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden de uitkomst van het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden en heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts over voldoende medische stukken beschikte om tot een zorgvuldig oordeel te kunnen komen. Op grond van de gedingstukken is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 17 juni 2009 een onjuist beeld is geschetst van de aard en de ernst van de klachten van appellant.

4.3. Ten aanzien van appellants standpunt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de draaiende bewegingen van de arm en polsen boven schouderhoogte bij voorwaarts heffen van de armen, omdat dit de specifieke bewegingen zijn die appellant tijdens zijn arbeid moet verrichten, overweegt de Raad dat ten tijde van het bestreden besluit voldoende informatie over het werk van tuinbouw medewerker in het dossier aanwezig was en dat in dit verband van onzorgvuldig onderzoek geen sprake is geweest. De Raad wijst daarbij met name op hetgeen daaromtrent door appellant zelf tijdens de hoorzitting is vermeld over het eigen werk. De Raad is niet gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts geen voldoende duidelijk beeld had van de aard en zwaarte van de functie. De Raad verwijst in dit verband nog naar het arbeidskundig onderzoek van 3 februari 2009. Uit dat onderzoek komt, blijkens eigen waarneming van de arbeidsdeskundige, naar voren dat in de functie geen sprake is van extreme schouderbelasting, geen continue nekbewegingen en dat het werken boven schouderhoogte niet veel voorkomt.

4.4. Naar het oordeel van de Raad is door de bezwaarverzekeringsarts met voldoende zorgvuldigheid onderzoek gedaan naar de klachten van appellant. Uit diens rapportage van 17 juni 2009 blijkt dat een gericht onderzoek heeft plaatsgevonden naar de functie van de armen en schouders van appellant. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts kennis genomen van de door appellant ingebrachte informatie van de behandelend sector. Uit de informatie van de neuroloog Verhey van 18 februari 2009 blijkt dat appellant sinds 1999, met tussenpozen, last heeft van nek/schouderklachten rechts. Eerder verricht röntgenonderzoek van de cervicale wervelkolom (cwk) liet geen afwijkingen zien. Bij onderzoek was sprake van een goed mobiele cwk en kon middels nekbeweging geen brachialgie worden opgewekt. De neuroloog achtte de nek/schouderklachten van appellant, volgens een EMG onderzoek, passen bij een lichte onderste plexus brachialgie neuropathie rechts en adviseerde oefentherapie Mensendieck. Het gaat om lichte klachten die mogelijk door een insufficiënte houding worden veroorzaakt.

4.5. Ook de overige door appellant geclaimde klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts in voldoende mate weerlegd. Wat betreft de allergie voor planten en gewassen onderschrijft de Raad het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat een dergelijke allergie (met name voor paprika’s) nimmer door de huisarts is bevestigd. Uit het in beroep overgelegde medisch journaal van de huisarts blijkt dat op 12 september 2008 slechts een neusspray is voorgeschreven. Ten aanzien van de psychische klachten als gevolg van appellants gokverslaving kan de Raad zich vinden in het in hoger beroep gegeven commentaar van de bezwaarverzekeringsarts, zoals vervat in zijn rapportage van 29 september 2009. Dienaangaande merkt de Raad op dat door appellant geen medische gegevens in het geding zijn gebracht die wijzen op de aanwezigheid van een psychiatrische stoornis op de datum in geding.

4.6. Wat betreft de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken met betrekking tot de indicatie voor de WSW oordeelt de Raad dat aan die informatie niet die waarde toegekend kan worden die appellant, gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, daaraan toegekend wil zien. De stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het indicatiebesluit van 15 maart 2011, waaronder de rapportage van psycholoog A. Heis van 8 december 2010, zien op een periode ruim na de datum in geding.

4.7. Ook aan de in hoger beroep overgelegde rapportages van het IP van 25 augustus 2010 en 7 juli 2011 kan naar het oordeel van de Raad niet het belang worden gehecht dat appellant daaraan toegekend wil zien. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (onder andere in de uitspraak van 13 juli 2005, LJN AT9828) worden de rapportages van het IP niet aangemerkt als rapportages afkomstig van een (medisch) deskundige. Deze rapportages kunnen evenwel wel argumenten bevatten die wijzen op onjuistheden of inconsistenties in de medische beoordeling of die op zijn minst twijfel doen ontstaan aan de medische grondslag van de bestreden besluiten. Daarvan is naar het oordeel van de Raad geen sprake.

4.8. Dat appellant per 16 juni 2009 opnieuw in de ZW is geaccepteerd, doet naar het oordeel van de Raad aan het vorenstaande niet af. Uit de in beroep overgelegde rapportage van de verzekeringsarts J. van Uitert van 27 juli 2009 blijkt dat appellant zich per genoemde datum met toegenomen klachten van de slokdarm en de maag heeft ziek gemeld.

5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 21 april 2009 heeft beëindigd. Het hoger beroep van appellant slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) H.L. Schoor.

JL