Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
10-6497 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De medische basis van het bestreden besluit wordt onderschreven. Niet is gebleken dat de toekenning van een uitkering ingevolge de Wet WIA in januari 2009 op iets anders is gebaseerd dan de verminderde beschikbaarheid van appellante in verband met het volgen van een intensieve therapie. Ook als er in januari 2009 sprake was van toegenomen beperkingen is er overigens gelet op de aanwezige medische informatie, onvoldoende basis voor de aanname, dat ook al op de datum in geding van toegenomen beperkingen sprake was. Geen reden voor een verdere urenbeperking. Gelet op de gegeven toelichting bij de signaleringen, zijn de geselecteerde functies niet ongeschikt voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6497 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 oktober 2010, 09/3424 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 30 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Goettsch, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 4 oktober 2011 heeft voormelde gemachtigde nog enkele nadere stuken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft bij brief van 14 oktober 2011 nog een nader stuk naar de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2011. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door bovengenoemde gemachtigde. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, voorheen werkzaam als medisch secretaresse, heeft zich op

6 september 2006 ziek gemeld met klachten van psychische aard. Na onderzoek door een verzekeringsarts, die de beperkingen van appellante heeft vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en na rapportage door een arbeidsdeskundige heeft het Uwv haar bij besluit van 8 september 2008 medegedeeld dat na afloop van de wettelijke wachttijd per 3 september 2008, geen recht op uitkering is ontstaan ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 35%. Dit besluit is gebaseerd op het oordeel van het Uwv dat appellante met aan haar beperkingen aangepaste arbeid nog een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van minder dan 35%. Het namens appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is, nadat R.M. de Vink, bezwaarverzekeringsarts, op 16 december 2008 en 12 januari 2009 rapport had uitgebracht, bij besluit van 9 februari 2009 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft zij onder meer aangevoerd dat zij in verband met depressieve klachten niet in staat is om te werken en dat in elk geval meer beperkingen moeten worden aangenomen, onder meer op het gebied van concentratie, handelingstempo en het in aanmerking te nemen aantal arbeidsuren. Ook heeft zij erop gewezen dat zij in verband met haar klachten van februari tot medio mei 2009 een intensieve therapie heeft gevolgd bij de GGZ Buitenamstel en dat haar (in verband daarmee) per 27 januari 2009 alsnog een uitkering ingevolge de Wet WIA is toegekend. Tevens heeft appellante bezwaren aangevoerd tegen verschillende haars inziens belastende aspecten van de geduide functies.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat - geoordeeld, dat de medische basis van het bestreden besluit onderschreven kan worden. Uit de door appellante overgelegde stukken blijkt weliswaar dat haar psychische situatie in januari 2009 zodanig werd geacht dat een intensieve (dag)behandeling noodzakelijk werd gevonden, maar daaruit volgt nog niet dat haar psychische klachten op 3 september 2008 even ernstig waren dan wel dat er toen aanleiding bestond om per die datum meer beperkingen aan te nemen. Met betrekking tot de door appellante aangevoerde RSI-achtige klachten bieden de voorhanden gegevens geen basis om meer beperkingen aan te nemen dan de al in de FML opgenomen aantekening bij het item werken met toetsenbord en muis. De bezwaarverzekeringsarts heeft voldoende gemotiveerd waarom er geen reden was om de al in acht genomen urenbeperking tot 30 uur per week nog verder uit te breiden. Ook het arbeidskundige deel van de schatting acht de rechtbank voldoende deugdelijk: deels betreffen de grieven van appellante op dit punt items waarop zij niet beperkt is geacht, deels betreft het aspecten waarbij op het formulier resultaat functiebeoordeling geen signaleringen voorkomen.

4. Namens appellante zijn in hoger beroep voornamelijk de eerder aangevoerde grieven herhaald en is nogmaals benadrukt, dat haar met ingang van 27 januari 2009 wel een uitkering ingevolge de Wet WIA is toegekend. Ook heeft zij gewezen op de in hoger beroep ingezonden brieven van 23 december 2010 en 29 april 2011 van B. Glazemaker, verbonden aan de GGZ inGeest te Amsterdam, en het schrijven van 11 september 2011 van H.E. Sanders, psychiater.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist onderschrijven en voegt daar nog - in de eerste plaats - aan toe, dat uit het rapport van de verzekeringsarts T. Altena van 2 juli 2008 blijkt dat ten aanzien van appellante op dat moment geen sprake was van enige andere behandeling dan begeleiding door de GGZ en het, gedurende een dagdeel per week volgen van een activiteitentraining, terwijl zij geen medicatie gebruikte. Ook heeft deze arts ten aanzien van de handen, vingers en polsen geen specifieke beperkingen vastgesteld. De brieven van Glazemaker voornoemd geven alleen aan welke activiteiten de GGZ voor en met appellante heeft ondernomen. De psychiater Sanders voornoemd verklaart slechts dat hij appellante in december 2007 en januari 2008 drie maal heeft gesproken en dat voor haar, voor zover hij dat kon inschatten, toen reguliere arbeid niet haalbaar was. Gelet op het gegeven dat in de FML een aantal beperkingen van psychische aard zijn opgenomen biedt, naar het oordeel van de Raad, deze alleen op een inschatting gebaseerde verklaring onvoldoende basis voor de stelling dat meer beperkingen in de FML opgenomen hadden moeten worden. De Raad is niet gebleken dat de toekenning van een uitkering ingevolge de Wet WIA in januari 2009 op iets anders is gebaseerd dan de verminderde beschikbaarheid van appellante in verband met het volgen van een intensieve therapie. Ook als er in januari 2009 sprake was van toegenomen beperkingen is er overigens gelet op de aanwezige medische informatie, onvoldoende basis voor de aanname, dat ook al op de datum in geding van toegenomen beperkingen sprake was.

5.3. Met betrekking tot de arbeidskundige aspecten van de schatting verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank terzake in de overwegingen 2.9 tot en met 2.12 heeft gesteld, welke overwegingen de Raad kan onderschrijven. De Raad wijst er - met betrekking tot de opmerking van appellante dat enkele functies een arbeidsduur van 32 uur per week kennen, terwijl een urenbeperking tot ongeveer 30 uur per week geldt - op dat de bezwaararbeidsdeskundige, na overleg met de bezwaarverzekeringsarts, met recht heeft gesteld dat een zo geringe overschrijding binnen de belastbaarheid van appellante valt, met name nu op het punt “uren per dag” in de FML is aangegeven dat gemiddeld 8 uur per dag haalbaar is. Enige medische informatie die tot een ander oordeel zou kunnen leiden is niet in geding gebracht. Ook voor het overige acht de Raad, gelet op de gegeven toelichting bij de signaleringen, de geselecteerde functies niet ongeschikt voor appellante.

5.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Gelet hierop dient het verzoek om schadevergoeding van appellante te worden afgewezen.

6. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en J. Riphagen en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2011.

(get.) B.M. van Dun.

(get.) L. van Eijndthoven.

TM